ding betekenis & definitie

ding - Zelfstandignaamwoord
1. een voorwerp dat geen dier of mens is
Hij behandelde zijn vrouw altijd een ding, het verbaasde dan ook niemand toen zij van hem wegliep.
2. (informeel) een meid
De oude rijke man trouwde voor de zoveelste keer een nieuw jong ding.
3. (informeel) een penis
4. (verouderd) een samenkomst waar recht gedaan wordt (oorspronkelijke betekenis), zie geding
5. gebeurtenis
De oude vrouw dacht vaak aan dingen van vroeger.

ding - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dingen
♢ Ik ding
2. gebiedende wijs van dingen
ding!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dingen
ding je?

Synoniemen
[1] object
[2] meid
[3] geval

Antoniemen
onding

Verwante begrippen
[1] voorwerp, [2] stuk, mokkel, [3] piemel, pik, penis