Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Engel

betekenis & definitie

ENGEL, m. (-en), (bijb.) bode of gezant van God; hemelgeest;

— de engelen des hemels; de engelen des lichts;
— de engel der duisternis, de duivel;
— de engel des verbonds; de val der engelen;
— (fig.) iem. dien men zeer lief heeft; mijn engel! inz. van kinderen; een toonbeeld van een mensch een engel van een man, van een meisje; zij is een engel;
— hij was mij een reddende engel, redder uit den nood;
— gij komt als een engel uit den hemel, juist te goeder ure;
— de engelen schudden hun beddeken uit, (schertsend) het sneeuwt;
— (gemeenz.) het was of er een engeltje op mijne tong pieste, het was zeer lekker;
— zijn goede engel kwam hem te hulp, zijn beschermheilige, een gelukkig toeval; hij spreekt als een engel en doet als em bengel; (Zuidn. ook) een engeltje met een duiveltje;
— menschen zijn geen engelen, zijn niet zonder gebreken;
— van een engel een duivel maken, iem. lastig vallen, vervelen (door knorren, vitten enz.), Engeltje, o. (-s), zie aldaar.