Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-11-2017

aanhooren

betekenis & definitie

Aanhooren - (hoorde aan, aanhoorde, heeft aangehoord), naar iets luisteren; met aandacht hooren; geduldig ten einde toe hooren, wat vervelend, onaangenaam of kwetsend is; hooren aan. Ten aanhooren van, in bijzijn van, in tegenwoordigheid van.