Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Horen

betekenis & definitie

De Horen (Horai of Kairoi, Lat. horae of tempora anni) zijn de dochters van Zeus en Themis. Ze dragen bij Hesiodos de namen Eunomia (ordening), Dike (gerechtigheid) en Eirene (vrede), in Attika worden ze Auxo, Karpo en Thallo genoemd. ‘Hora’ betekent in oorsprong ‘uur’, maar eigenlijk verzinnebeelden zij drieën de cyclus van het jaar, die aanvankelijk driedelig was. Pas onder invloed van de oosterse astronomie, in de 5e-4e eeuw, werd de cyclus vierdelig. De Horen corresponderen dan met lente, zomer, herfst en winter en hebben geen aparte namen meer. Zij behoren met de Chariten en de Moiren tot de godinnen van het leven en bevinden zich dan ook in gezelschap van Persephone, Aphrodite, Hera en Zeus en met name Dionysos. In de Ilias van Homeros bewaken zij de poorten van de Olympos.

In de literatuur hebben zij geen eigen mythen. In een verloren gegane komedie Horai stelt Aristo-phanes hen voor als de godinnen van het goede klimaat en de rijke landbouw in Attika.

In de kunst komen ze met Dionysos reeds voor op de François-vaas uit ca. 570 te Florence als gasten van de bruiloft van Peleus en Thetis. Vooral vanaf het hellenisme worden ze vaak afgebeeld en krijgen ze attributen: de lente heeft bloemen of een jong bokje, de zomer aren, de herfst wijnranken en de winter dieren als jachtbuit aan een stok. De kleding past bij de temperatuur van het seizoen en is soms ook wat kleuren betreft aangepast (strogeel, wijnrood). Hoewel we pas uit de Romeinse tijd voorstellingen van mannelijke Horen kennen, zijn ook die vermoede-lijk van hellenistische oorsprong. Talloze malen vinden we ze op schilderingen in huizen in Pompeii in de 1e eeuw n.C. en in de latere oudheid in graven, op mozaïeken en op sarcofagen, waar ze het leven van geboorte tot dood voorstellen. In de grafkunst symboliseren zij volgens sommigen het epicurische idee van ‘pluk de dag’ en ‘gedenk te sterven’.

Ook in de vroegchristelijke kunst blijven ze als symbool van de levenscyclus voorgesteld, zij het soms slechts door middel van hun attributen, zoals in een kapel van het baptisterium van de St. Jan van Lateranen (5e eeuw) te Rome in het gewelfmozaïek.