Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Aphrodite

betekenis & definitie

Aphrodite is de godin van de liefde, schoonheid en vruchtbaarheid, een van de twaalf Olympische hoofdgoden, in de Romeinse tijd geïdentificeerd met de godin van Romeinse origine, Venus.

De verering van Aphrodite heeft naar men aanneemt haar oorsprong in het Oosten en heeft via Cyprus haar weg gevonden naar Griekenland. Bij Homeros is Aphrodite de dochter van Zeus en Dione. Hesiodos verwoordt een andere traditie met zijn verslag van haar geboorte uit het schuim van de zee. Ouranos stond op het punt gemeenschap te hebben met de aarde, Gaia, toen zijn zoon Kronos hem overviel, hem ontmande en het geslachtsorgaan in zee wierp. Rond het lid ontwikkelde zich schuim waaruit Aphrodite, een volwassen vrouw reeds, verrees. Bij andere auteurs zijn nadere details te vinden. Ze werd in een schelp door de windgod Zephyros over een kalme zee voortgedreven naar Cyprus, mogelijk via het eiland Kythera. Waar ze het land betrad, bloeiden prompt bloemen. Ze werd gekleed door de Horen en naar de goden gevoerd om deel uit te maken van het Olympische twaalftal.

Aphrodite symboliseert de schoonheid, het opbloeien van de natuur in de lente, en in het leven van de goden en van de mensen de seksuele aantrekkingskracht en het genot van de liefdesdaad. Ze verschaft de vrouwen ‘charis’, aantrekkingskracht die hen onweerstaanbaar maakt, zeker als ze hun de beschikking geeft over haar gordel. Ze wordt omringd door gestalten die haar bij het geven van aantrekkingskracht of het inspireren tot liefde bijstaan, zoals Eros en de Chariten. In het Oosten blijft zij onder verschillende namen en gedaanten in haar oorspronkelijke functie als vruchtbaarheidsgodin bestaan.

Volgens Homeros is ze de bepaald niet trouwe echtgenote van Hephaistos. Helios, de zonnegod, meldt hem de overspelige verhouding van zijn vrouw met Ares. Als kinderen van Aphrodite en de oorlogsgod worden onder meer genoemd Eros en Harmonia. Ook Deimos (ontzetting) en Phobos (angst) stamden uit deze relatie. Uit een verhouding met Dionysos wordt de vruchtbaarheidsgod Priapos geboren, uit die met Hermes Hermaphroditos.

Ze vat ook liefde op voor stervelingen. Een homerische hymne beschrijft haar verhouding met de Trojaan Anchises, waaruit Aeneas wordt geboren. Ze zal Aeneas bijstaan op diens tocht naar Italië om er de grondslag te leggen voor het latere Rome. Zo laat ze Hephaistos voor haar zoon wapens smeden. Een andere geliefde is de jeugdige Adonis.

Ze heeft het gevaarlijke en in haar wraakzucht en intrigeerlust gretig aangewende vermogen om mensen én goden een onweerstaanbaar liefdesverlangen in te geven, hetgeen haar dikwijls in con-flict brengt met Hera, de hoedster van de huwelijkstrouw. Van de goden kunnen alleen Artemis, Hera en Hestia haar macht weerstaan. Op deze wijze stelt ze haar mannelijke gunstelingen en beschermelingen in staat bepaalde vrouwen te ver-overen en aan zich te binden. Ze maakt Medeia verliefd op Iason en zorgt ervoor dat Dido haar zoon Aeneas een hartelijke ontvangst bereidt en op hem verliefd wordt. De Trojaan Paris, die haar in zijn ‘oordeel’ heeft verkozen boven Athena en Hera, stelt ze in staat de mooiste vrouw ter wereld, Helena, te verleiden. In de daaropvolgende Grieks-Trojaanse oorlog stelt ze zich op aan de zijde van de Trojanen.

De vrouwen die voor haar invloed bezwijken is geen voorspoed beschoren. Helena leidt in Troje een treurig bestaan. Medeia overkomen veel ongelukkige lotgevallen. Dido zoekt uiteindelijk de dood op de brandstapel. Slecht vergaat het ook de vrouwen en mannen die zich tegen haar te weer stellen of haar niet in ere houden. De vrouwen van Lemnos, die haar in hun erediensten hebben verwaarloosd, straft ze met een zo walgelijke stank dat hun mannen afkerig van hen worden. Ze bewerkstelligt de rampspoed rond Hippolytos (Phaidra & Hippolytos), die zijn leven in kuisheid wil doorbrengen en Artemis hoger stelt dan Aphrodite. Om dezelfde reden wreekt ze zich op Narkissos.

Bij auteurs als Kallimachos, Apollonios en Vergilius is Eros het jeugdige zoontje van Aphrodite. Hij is het die, al dan niet op verzoek van zijn moeder, met zijn pijlen mensen én goden een on-weerstaanbaar liefdesverlangen ingeeft.

Al vanaf de 7e eeuw v.C. is Aphrodite vaak voorgesteld in de beeldhouwkunst. In de oudste tijd gaat het om religieuze voorstellingen, waarin zij een rijk geklede en rijzige gestalte is, met sfinxen op de schouders of met een sfinx dan wel duif in haar rechterhand. Vanaf de late 5e eeuw groeit een traditie, waarin de naakte of halfnaakte Aphrodite de canon belichaamt van de vrouwelijke schoonheid, analoog aan de rol van Apollo wat betreft de jeugdig-mannelijke schoonheid. Een uitermate invloedrijke voorstelling van het vrouwelijk naakt in de Griekse beeldhouwkunst is de Aphrodite van Knidos, gemaakt door Praxi-teles ca. 340 v.C. In beide voorstellingstradities is sprake van een vast repertorium van poses. Aphrodite staat of leunt zonder een specifieke handeling te verrichten; ze maakt haar toilet met een spiegel; ze wringt haar haren uit na een bad te hebben genomen of uit zee te zijn verrezen (Anadyomene); ze verbergt (oorspronkelijk: ze wijst op) haar schaamdelen (Pudica); ze trekt sandalen aan of uit; ze knielt of zit op haar hurken (bijv. een beeld van Doidalsas 2e eeuw v.C.).

Wat verhalende voorstellingen betreft figu-reert Aphrodite met name op vazen, mozaïeken en wandschilderingen in de epische scènes waar-in zij een rol speelt, zoals het Paris-oordeel, de Trojaanse oorlog en met Iason, het liefdesspel met Ares en het smeden van Aeneas’ wapens door Hephaistos.

Als stammoeder van de eerste keizerlijke dynastie, die van de Iulii (Aeneas), geniet zij in Rome een grote verering. De Venus-iconografie is ontleend aan klassiek-Griekse en hellenistische voorbeelden. Naast de officiële traditie bloeit de genre-uitbeelding in literatuur en kunst als symbool van zinnelijke liefde. In de portretkunst vinden we voorbeelden van vrouwen die zich als Venus hebben laten uitbeelden, zoals keizerin Faustina, echtgenote van Antoninus Pius die als Ares/Mars is uitgebeeld; bij privéportretten gaat het naar alle waarschijnlijkheid slechts om beel-tenissen van gestorvenen, omdat men zich bij leven niet in de gedaante van een god mocht laten portretteren.

Aphrodite staat in de middeleeuwen in de regel in een ongunstig daglicht. Zo is zij in Prudentius’ Psychomachia uit de 5e eeuw n.C., een traktaat over de strijd tussen deugd en ondeugd, symbool van de zondigheid. Voorts is zij symbool van of valt zij welhaast samen met personificaties van de wellust (Luxuria, Voluptas, Libido).

In de hoogmiddeleeuwse romans met antieke thema’s en in de vagantendichtkunst treedt ze naar voren als personificatie van de liefde. In de laatmiddeleeuwse minnezangen, bijvoorbeeld The King’s Quair van James i van Schotland (1421), wordt zij aangeroepen en verschijnt ze in persoon. In Duitse en Nederlandse werken valt zij enigszins samen met ‘Vrouw Minne’. In de middeleeuwen wordt Aphrodite voorts in voorstellingen van planeten opgenomen, bijvoorbeeld aan de klokkentoren van de dom te Florence in een reliëf van een leerling van Pisano ca. 1340.

De negatieve beeldvorming loopt door tot in het werk van renaissancekunstenaars als Peru-gino ca. 1503 en Mantegna samen met Costa ca. 1506: Aphrodite staat er tegenover Athena (wijsheid) en Artemis (kuisheid). In het motief van ‘Herakles op de tweesprong’ is het soms Aphrodite die staat voor een van de beide mogelijk-heden waaruit Herakles kan kiezen: de aardse en zondige genoegens.

In de schilderkunst en het denken van de renais-sance is de associatie tussen de naakte Aphrodite-gestalte en de ondeugd of wellust echter niet langer vanzelfsprekend. Neoplatoonse auteurs als Ficino grijpen terug op het al door Plato gemaakte onderscheid tussen Aphrodite Ourania (Venus Coelestis, die tot de immateriële sfeer behoort) en Aphrodite Pandemos (Venus Vulgaris, de Zinnelijke Liefde, verwezenlijking van de opperste schoonheid in de stoffelijke wereld). Een schilderij ca. 1515 van Titiaan in de Villa Borghese te Rome wordt meestal geïnterpreteerd als voorstelling van deze gedachte: Venus Vulgaris is een rijk geklede gestalte, Venus Coelestis een naakte.

Daarnaast constateert men in die periode even-eens een ontwikkeling waarin het voornaamste doel van de uitbeelding van Aphrodite de studie van het naakt is of van het vrouwelijk schoon op zich. Het gaat dan om een liggende Venus, van Giorgone ca. 1510, Palma il Vecchio ca. 1513, Titiaan 1538 (Venus van Urbino) en 1548, Sustris ca. 1540 (Rijksmuseum Amsterdam), Van Heemskerck 1545 en J. Massys 1561 tot Brooks 1916-19 en Delvaux 1944; om de klassieke Venus Pudica (bijv. werkplaats Botticelli driemaal ca. 1486-90 en Renoir 1914); om Venus Victrix (Böcklin 1895, Renoir ca. 1910 in Park Middelheim te Antwerpen); om Aphrodite die toilet maakt, veelal uitgerust met een spiegel (bijv. Giovanni Bellini 1415, een schilderij uit de School van Fontainebleau midden 16e eeuw, Paolo Veronese ca. 1580, Liss 1625, Velázquez ca. 1650 en Boucher 1751). In verschillende houdingen is Aphrodite te vinden in het werk van Lucas Cranach vanaf 1509. Veel kunstenaars portretteren vrouwen van hun tijd als Aphrodite: o.m. Holbein de J. ca. 1529, Moreelse 1630 en Fragonard ca. 1775. Tot de bekendste voorbeelden behoren Rubens’ portret ca. 1635 van Helène Fourment als Aphrodite en Canova die in zijn beeld 1808 van Paolina Borghese Bonaparte de pose geeft van Venus Victrix.
De geboorte uit de zee is afgebeeld door o.a. Rubens ca. 1615, Boucher 1740, Segel 1776, Cabanel 1863, Moreau 1868, Bouguereau 1879 en Redon 1890 en 1910. Botticelli schildert rond 1484 hoe Aphrodite door de wind over zee naar Cyprus of Kythera wordt gevoerd. Dit thema vinden we ook bij Jan Toorop 1890 en Matisse 1930 en 1932 (bronzen beeld). Het motief van de Aphrodite Anadyomene is terug te vinden in beeldhouwwerken van o.a. Giambologna ca. 1567 en 1570 (in een fontein in de Boboli-tuin in Florence), Danti ca. 1570 en Canova 1812, en in schilderijen van o.a. Titiaan ca. 1520, Chassériau 1838, Ingres 1848, Corot 1870 en Böcklin 1872 en 1872-73. De overbekende Venus van Milo (Melos) is door Dalí 1934 voorzien van schuifladen (Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam).

De Aphrodite-figuur kan allerlei allegorische betekenissen krijgen in afbeeldingen met Eros en met Ares. Tot de verhalende scènes waarin Aphrodite in de nieuwe tijd dikwijls wordt afgebeeld behoren: het oordeel van Paris, het bezoek aan de smidse van Hephaistos, het overhandigen aan Aeneas van de daar gesmede wapens zodat hij de strijd tegen Turnus kan opnemen, en Aphro-dites verhoudingen met Adonis.

Gaat het hier veelal om een voortborduren op mythische/epische motieven, andere thema’s zijn inventies van de renaissance en de barok. Zo zijn er in de schilderkunst van de Lage Landen talrijke uitbeeldingen van een zinspreuk van Terentius: ‘Sine Cerere et Libero (= Bacchus/Dionysos) friget Venus’ (zonder spijs en wijn verkilt Venus de liefde): o.a. Spranger ca. 1590, Hans van Aken ca. 1600, gravures van en naar Goltzius tussen 1595 en 1600, Cornelis van Haarlem 1614 en 1624, Jordaens ca. 1616 (Museum voor Schone Kunsten Gent) en Van Honthorst ca. 1623. Op dit thema, waarbij gewoonlijk wordt afgebeeld hoe Demeter/Ceres en Dionysos/Bacchus/Liber Aphrodite van het nodige voorzien of als perso-nificaties van de spijs resp. de drank Aphrodite bijstaan, geeft Rubens 1614 een variant met als titel Venus Frigida (Kon. Museum voor Schone Kunsten Antwerpen): een satyr die de rillende Aphrodite en haar zoontje Eros met spijs en drank te hulp komt.

In de emblematiek werkt de oude personifica-tie van de wellust en de zonde in de gestalte van Aphrodite door. Daarnaast personifieert Aphrodite ook wel de vrouw die juist deugdzaamheid betracht: Aphrodite met haar voet op een schildpad of met geketende voeten en blinddoek staat voor de deugdzame huisvrouw, die uitsluitend aandacht heeft voor haar huiselijke taken.

Ook in de literatuur is het hele scala van connotaties te vinden, zodat de naam van Aphrodite/Venus valt in verband met de liefde en de passie in al haar ontwrichtende en stichtende werkingen, in haar hogere en lagere verschijningsvormen. Zo wordt zij oneindig vaak aangeroepen in de 16e- en 17e-eeuwse liefdeslyriek en treedt zij talloze malen op in bruiloftsgedichten uit die periode. Optredens in toneelstukken vond zij bij o.a. Sachs 1517, Frischlin 1569 en Smith 1677. Op andere wijze wordt zij soms behandeld in de literatuur van de 19e eeuw. Swinburne geeft aan zijn gedicht 1866 over heidense schoonheid, hartstocht en wreedheid de titel Laus Veneris, en Rachilde schrijft in 1884 een roman over het ideaal van de androgynie onder de titel Monsieur Vénus.

In de Duitse cultuur krijgt Venus als noodlottige liefdesgodin een specifiek gezicht door het motief van Tannhäuser en de Venus-berg, zoals dat vorm kreeg rond 1400. De ridder heeft de wandaad bedreven van zeven jaar bij Venus te verblijven en komt dan terecht in een opeenvolging van (niet-)berouw, (niet-)vergeving en verdoemenis. De stof herleefde door een vertelling van Tieck 1799, het opnemen van het motief in de verzameling Des Knaben Wunderhorn van Arnim en Brentano 1806 en een gedicht van Heine 1837, om dan door Wagner in zijn Tannhäuser-opera (eerste versie 1845) te worden verbonden met het verhaal van de zangwedstrijd op de Wartburg en het personage van Elisabeth van Thüringen.

In de verskroniek van William van Malmesbury 1125 duikt de geschiedenis van de Venus-ring op: op zijn huwelijksdag schuift de bruidegom zijn ring om de vinger van een Venus-beeld, waarop dit beeld hem verstikt in haar omarmingen. Betovering of verstikking door een Venus-beeld is terug te vinden o.a. bij Eichendorff (Das Marmorbild, 1819), Merimée (La Vénus d’Ille, 1837) en in gedichten van Morris 1870 en Wilde 1881.