Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Persephone

betekenis & definitie

Persephone of Kore (Lat. proserpina) is een dochter van Zeus en Demeter. Ze werd met medeweten van Zeus ontvoerd door de god van het dodenrijk Hades, die verliefd op haar was, en naar zijn onderaardse verblijf gevoerd. Demeter vernam pas na een wanhopige zoektocht de toedracht. Ook al omdat Persephone in het dodenrijk van een granaatappel had gegeten – wie in het dodenrijk iets tot zich nam, kon zich van dit domein niet meer losmaken – moest een compromis worden gevonden: Persephone moest een deel van het jaar in het dodenrijk doorbrengen. Het verplichte verblijf in het dodenrijk, afgewisseld met het verblijf bij haar moeder, leidde tot de wisseling van de seizoenen: de herfst en winter tegenover de lente en de zomer (vgl. Adonis).

Oorspronkelijk was zij een onderwereldgodin, maar door de associatie met Demeter is zij tot vegetatiegodin geëvolueerd. In Magna Graecia (Sicilië en Zuid-Italië) leven beide functies voort en heeft Persephone eigen cultusplaatsen. In Griekenland en het Oosten wordt zij alleen samen met haar moeder vereerd.

De iconografie van Persephone in de oudheid omvat vier thema’s. De Attische cultus in Eleusis is reeds in archaïsche tijd op vazen voorgesteld. Beroemd is het dankzij enige kopieën bekende reliëf van ca. 440-430 v.C., waarop is voorgesteld hoe de jonge Triptolemos van Demeter en Perse-phone het graan geschonken krijgt. De roof door Hades is de tweede, veelvuldig voorgestelde categorie. In Eleusis sierde een verloren gegaan reliëf met dit thema het tempelfronton. De grafkamer van Philippos van Macedonië in Vergina ca. 330 bevat een fresco met de roof. Verdere voorstellingen treffen we vooral in de Griekse kolonies in Zuid-Italië en Etrurië aan. Het gaat om reliëfs van tempels (Selinous, Lokri), askisten en vazen (Etruskisch). In de Romeinse tijd zijn vooral sarcofagen met dit thema bekend, onder andere de later als tombe van Karel de Grote gebruikte kist in Aken. In een derde groep voorstellingen figureert Persephone als koningin van de onderwereld, zittend op een troon, al dan niet naast haar echtgenoot. Op vazen maakt zij samen met Hades deel uit van een banketgezelschap. In reliëf en vrijstaande beelden is Persephone weergegeven als een statige matrone. De laatste categorie toont de reis naar of uit de onderwereld en is bekend van 5e-eeuwse vazen. Hermes treedt op als leidsman en Persephone gaat gesluierd om-hoog of omlaag.

In Zuid-Italië zijn in heiligdommen ontelbare terracotta’s gevonden die Persephone niet in een mythologische context voorstellen. De godin zit of staat en heeft als attributen een hoge muts op het hoofd en een varkentje of duif in haar hand. Soms offerde men slechts een buste van terracotta. Zij geldt in dit verband als vruchtbaarheids-godin.

De ontvoering van Persephone, verteld door onder anderen Ovidius en Claudius Claudianus, kent in literatuur en (muziek)theater een rijk Nachleben, waarin het verhaal zich blijkt te lenen voor een scala van interpretaties. Zo is het allegorie van een tragische ontmaagding, gevolgd door een ‘apotheose’ (opneming bij een god) in de opera’s van Monteverdi/Strozzi 1630 (goeddeels verloren gegaan) en Lully/Quinault 1680 en in een toneelstuk van Hardy 1611. Het is een beeld van het samengaan van liefde en dood of van een zich overgeven aan de liefde ten koste van een normaal bestaan, in bijvoorbeeld het toneelstuk Proserpina van Goethe 1778 en gedichten van Shelley 1839, Swinburne 1866, Rossetti 1881 (die haar ook schilderde in 1877) en in ons land het epische gedicht van Verwey 1883, dat de twee naturen van de godin, leven en dood, nadrukkelijk als de polen van één wezen beschrijft. Het leent zich voor burleske navertellingen, zoals Disraeli 1833. Een merkwaardige tekst van Gide, waarin Persephone zich naar de onderwereld begeeft uit medelijden met de daar verblijvenden, ligt ten grondslag aan een ‘melodrama’ van Strawinsky 1943. Pound herneemt in verschillende Cantos tussen 1926 en 1960 het oude idee van de afwisseling van sterven en herleving.

Ook in de beeldende kunst van de nieuwe tijd is de ontvoering een geliefd motief in honderden kunstwerken: in de 16e eeuw Sustris ca. 1565 en Niccolò dell’Abbate ca. 1570, daarna o.a. Vicentino rond 1600 (Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam), Heintz ca. 1603-05, Rembrandt ca. 1631, Rubens ca. 1636-38, La Fosse ca. 1673, Giordano 1682-83 (fresco Palazzo Medici-Riccardi te Florence) en Hoet (een schoorsteenstuk tussen 1680 en 1700 in De Slangenburg bij Doetinchem). In 1839 maakt Turner een doek met dit thema, later deden dat ook zijn landgenoten Rossetti 1872-78 en Leighton 1891. In de beeld-houwkunst is een werk van Bernini 1621-22 rich-tinggevend voor latere werken, o.m. van Girardon 1677 (park te Versailles).