Horen
(hoorde, heeft gehoord), 1. het vermogen hebben om geluiden als zodanig waar te nemen: het is onjuist dat vissen niet horen; hij hoort scherp, zeer goed; moeder hoort slecht, is wat doof; (Zuidn.) hij hoort niet langs die kant, hij is aan dat oor doof (inz. fig.); — ’t is een leven, dat horen en zien je vergaat,...