Sinterklaaslexicon

Sinterklaas van A tot Z door Marie-José Wouters

Gepubliceerd op 24-10-2019

Verering van Sint-Nicolaas

betekenis & definitie

In het → Byzantijnse Rijk Rond het jaar 300 is het Oost-Romeinse Rijk in verval: er heerst bruut geweld, de armoede neemt toe, er is zedenverwildering met als gevolg meer prostitutie, en de christenen worden vervolgd. Op 24 februari 303 waarschuwt het Orakel van Apollo in Milete tegen een splijtzwam in het keizerrijk, en men meent dat dit een verwijzing naar het christendom is. Daarop vaardigt Diocletianus in zijn negentiende regeringsjaar (303) in maart een edict uit met het bevel de christelijke kerken te verwoesten, heilige boeken te verbranden, ambtsdragers uit hun ambt te zetten en anderen tot slaaf te maken. Men neemt bisschoppen gevangen en dwingt hen offers aan de Romeinse goden te brengen.

Na dit edict breken overal vervolgingen uit. In Patara wordt Nicolaas’ leermeester Methodius gevangengenomen. Door de enorme bureaucratie is er veel omkoperij.Nicolaas wordt gezien als de brenger van iets nieuws en van hoop in die sombere tijden: hij is onkreukbaar (→ Legende 13, over de onschuldig veroordeelden) en vrijgevig, en blijft zijn mensen moed inspreken.

Keizer Constantijn begrijpt dat als hij de vroegere eenheid wil terugbrengen in het Romeinse Rijk, hij een solide religieuze basis moet zoeken. Hij is bereid om over te gaan tot het christendom.

Na de dood van Nicolaas in ca. 342 wordt rondom zijn graftombe een basiliek gebouwd, zoals men alle kerken in die tijd op een graf van een heilige bouwde. Algauw vereert men hem in de Grieks-orthodoxe Kerk als → heilige en komt hij op de tweede plaats naast Maria. Vanaf het eind van de 4de eeuw worden kinderen in Lycië naar Nicolaas genoemd. Vanaf het begin van de 6de eeuw wordt er jaarlijks een ‘rozenfeest’ op het graf van Nicolaas gehouden: de gelovigen versieren het met rozen en andere bloemen, waarna ze er een maaltijd houden. Oorspronkelijk is het rozenfeest een lentefeest, maar het wordt steeds meer een feest ter ere van een heilige. Het is ook gebruik dat de bisschoppen op deze datum (6 december) een synode houden in Myra.

In de 6de eeuw laat keizer Justinianus I (527-565) een prachtige kerk in Constantinopel bouwen ter ere van Sint-Nicolaas. Dit is de eerste kerk die gebouwd wordt met Sint-Nicolaas als schutspatroon. Het is bovendien het eerste Nicolaasheiligdom buiten Myra dat ons bekend is. Bij de val van Constantinopel in 1453 wordt deze kerk verwoest.

Tijdens de tweede synode van Nicea in 787 getuigt aartsbisschop Theodorus van Myra dat Nicolaas van Myra aan zijn aartsdiaken verschenen is.

In de 9de eeuw woedt er in Constantinopel een kerkstrijd. Het is een strijd tussen vereerders van iconen, de ikonodocelen, en zij die tegen het aanbidden van iconen zijn, de ikonoklasten. De laatsten veroorzaken een ‘eerste beeldenstorm’. Veel onschuldige monniken komen in de gevangenis. Zij bidden tot Sint-Nicolaas als → patroonheilige van de gevangenen. Als de strijd later in hun voordeel beslist wordt, zorgen zij ervoor dat Sint-Nicolaas overal vereerd wordt.

Vanaf die tijd is elke donderdag toegewijd aan Sint-Nicolaas. Deze eer heeft geen enkele andere heilige gehad.

In Rusland Vanaf de 4de eeuw komt de Nicolaasverering in Rusland op gang.

In Kiëv staat sinds 882 een Nicolaaskerk: de moeder van de Russische staat. De patriarch op dat moment was een zekere Nicolaas. In de kathedraal van Kiëv is een mozaïek van Nicolaas uit 1046 te zien en op een kalender van 1056/1057 wordt 6 december als feestdag beschouwd. Men zegt dat de klokken van de kathedraal van Kiëv in 1087 een jaar lang beierden omdat Nicolaas in veilige handen was. → Translatie In het Westen Het eerste Nicolaasheiligdom ten noorden van de Alpen staat in Nijvel. Het zou in 652 opgericht zijn door Itta, de vrouw van Pepijn van Landen en de moeder van de heilige Gertrudis van Nijvel. Itta is daarmee de eerste vereerster van Sint-Nicolaas in het Westen.

Meisen trekt dit gegeven in twijfel. Hij neemt aan dat Orval, die dit in 1250 genoteerd heeft, een verklaring voor de verering in zijn tijd (13de eeuw) wil geven.

Liudger (742-809), een Friese monnik, maakt een pelgrimstocht naar het stamklooster van de benedictijnen in Monte Cassino. Hier leert hij de Byzantijnse cultuur en de Nicolaasverering kennen. Wanneer Karel de Grote hem als missionaris aanstelt in het bisdom Münster, bouwt hij in Billerbeck in 789 de eerste aan Sint-Nicolaas gewijde kerk in het Westen. Deze kerk staat bij de bron van de Berkel, waarschijnlijk omdat deze bron al eerder vereerd werd, zelfs al vóór de Germanen ten tijde van het animistische geloof. In dit animisme vereerde men vaak bronnen, zuilen en bomen. Bij de kerstening werden juist op deze ‘heilige’ plaatsen kerken en kapellen gebouwd. Dit verklaart ook dat er al veel Nicolaaskerken gebouwd waren voordat de Sint-Nicolaasverering in de Hanzesteden opkwam.

Op een marmeren Latijnse kalender in Napels uit 821-841 staat een inscriptie dat 6 december als Sint-Nicolaasdag gevierd wordt. In martyrologia (levensbeschrijvingen van martelaren en heiligen) in het Westen vinden we de vroegste Sint-Nicolaasdag genoemd in die van Floris van Lyon (800-850), Wandelbert van Prüm en Usuard van St. Germain-des-Prés (859-875).

In 858 kiest een paus voor het eerst de naam Nicolaas (858867).

Alle belangrijke Italiaanse handelssteden, zoals Venetië, Pisa, Genua en Bari, hebben in Constantinopel al kennisgemaakt met Sint-Nicolaas en ‘nemen’ de verering mee naar huis.

Als veel christenen moeten vluchten voor de ‘mohammedanen’, gaan zij naar Oost- en West-Europa, waarbij ze de Nicolaascultus meenemen. Ze hebben bovendien veel familieleden die door de ‘muzelmannen’ gevangen zijn genomen en als slaaf gebruikt worden. Op grond van de legende van de onschuldig-ter-doodveroordeelden (→ Legende 13) roepen zij Sint-Nicolaas vaak aan.

De Duitse keizer Otto II (967-983) trouwt in 972 om politieke redenen met de Byzantijnse prinses Theophano (f 991). Dit huwelijk was namelijk een deel van de overeenkomst tussen de keizer van het Oost-Romeinse Rijk, die in Constantinopel heerste en keizer Otto I, die in het Westen heerste. Door deze verbintenis werd Otto II ook tot de wettige opvolgers van de Romeinse keizers gerekend. Het verhaal gaat dat de keizerin in 980 tijdens een reis van Aken naar Nijmegen in het Reichswald beviel van een zoon, de latere Otto III. Aangekomen op het Valkhof, waar eerder een aan Wodan gewijd heiligdom stond, dat in 799 door paus Leo III als christelijke kapel was ingewijd, liet Theophano een kapel, gewijd aan de heilige Nicolaas (tevens de beschermheilige van haar familie), bouwen uit dankbaarheid voor de goede afloop. Een Sint-Nicolaasicoon en relieken die zij meebracht liet zij in de kapel op het Valkhof plaatsen.

In totaal zou zij dertien Nicolaaskerken en -kloosters hebben laten bouwen. De politieke verering van Otto en Theophano is uitgangspunt geweest voor de algemene verering van Sint-Nicolaas in de hertogdommen Lotharingen en Luik.

Uit onderzoek blijkt echter dat de huidige Nicolaaskapel, ook bekend als Karolingische kapel, in Nijmegen kort na 1047 gebouwd moet zijn. Bouwheer was keizer Hendrik III. Hij was in die zin hervormingsgezind dat hij strenge opvattingen over handel en wandel van kerkelijke ambtsdragers had en zich als een geestverwant van de ascetische Otto beschouwde. Zijn vader had de palts (burcht) in Nijmegen in 1047 in brand gestoken en als zoenoffer hiervoor liet hij de kapel bouwen. Ook keizer Koenraad II wordt als mogelijke bouwheer genoemd; de kapel zou dan uit 1030 dateren. In 1470 wordt voor het eerst gemeld dat de kapel aan Sint-Nicolaas is toegewijd.

In 997 laat Otto III, zoon van Otto II en Theophano, het benedictijnenklooster Burtscheid bij Aken bouwen. Otto stelt dit klooster onder bescherming van de heiligen Apollinaris en Nicolaas. De Byzantijnse monnik Gregorius zou een mooie Nicolaasicoon meegebracht hebben, die zich nog steeds in Aken bevindt. Mogelijk is dit dezelfde icoon waarover gezegd wordt dat Theophano die in de kapel op het Valkhof plaatste.

In de 10de eeuw schrijft Wandelbertus, monnik van een klooster te Prüm, een ouder handschrift over: het is de oudste levensbeschrijving van Sint-Nicolaas in de Duitse taal. In 1568 wordt in Leuven een gedrukte versie van dit handschrift uitgegeven.

De landroutes waren vanaf 1000 beter geworden, zodat er meer verbindingen tussen Oost en West gelegd werden: Scandina-viërs, Grieken en Hanzevaarders profiteerden hiervan. Zo verspreidt de Nicolaasverering zich naar Luik (de Nederlanden). Hier staat de kerk ‘Sint-Nicolaas van de vliegen’, gebouwd in ca. 1030. Onder bisschop Reginold (dezelfde die bekendstond als componist van de Nicolaashymne; → muziek) werd een plaag van vliegen gestopt door tussenkomst van Sint-Nicolaas (→ Legende III ). Verdere verspreiding volgt naar Normandië en Walcheren, dat prinses Theophano bij haar huwelijk in leen krijgt.

In 1026 noemt hertog Richard II zijn zoon Nicolaas: hij is de eerste Nicolaas ten noorden van de Alpen en zal later abt van SintOuen worden. In 1040 zijn er al vele Normandische ‘Nicolazen’.

Toerisme komt in de mode: eerst verschijnen er groepjes van drie, vier mensen, daarna honderd, tot in het jaar 1064 zevenduizend van wie er overigens maar duizend terugkwamen. Door gevaren, ziekten onderweg en vooral rovers keerden weinig reizigers weer. Er waren ‘bewaarheiligen’ nodig, zoals Nicolaas, Christophorus, Georgius. Het was de enige vorm van ‘reisverzekering’ die er was. In 1049 noemt Bernard van Menthon zijn gasthuis op de Grote Sint-Bernardpas ‘Nicolaasgasthuis’. Omdat dit een zeer oude pelgrims- en handelsroute was, is deze bergpas letterlijk een schakel geweest tussen de Povlakte en het noordelijke Seine-gebied, zodat de verering zich daar kon uitbreiden. Rond 1050 zou abt Humbert → relieken van Sint-Nicolaas, die in 1030 in Trier waren gekomen, naar Echternach gebracht hebben. (Dit is dus nog vóór de translatie naar → Bari; de relieken moeten uit → Myra afkomstig zijn geweest.)

Orderic Vitalis beschrijft dat Willem de Veroveraar in 1066 tijdens een storm op het Kanaal de hulp van Sint-Nicolaas inroept en veilig Engeland bereikt. Deze beschrijving van Sint-Nicolaas als schutspatroon maakt indruk op de van de zee afhankelijke kustbewoners van Noord-Europa en algauw verschijnen overal Nicolaaskerken (→ Havensteden).

In 1087 vindt de → translatie plaats: Nicolaas wordt van Myra naar → Bari overgebracht. Hij was dus al een gevierde heilige vóór dit gebeuren.

Dan begint de eerste kruistocht, in 1096. Kruisvaarders reizen af naar Bari, vanwaar ze scheep gaan naar de Balkan. Wat Constantinopel is voor de Nicolaasverering in het Oosten, wordt Bari voor die in het Westen. Kruisvaarders brengen talloze relikwieën mee, vooral na de vierde kruistocht (1202-1204).

In 1098 roept paus Urbanus II in Bari een concilie bijeen om het schisma tussen Rome en Byzantium teniet te doen. Dit mislukt, maar de populariteit van Sint-Nicolaas stijgt er enorm door. Zo brengt Anselmus van Canterbury de verering naar Engeland over. Vóór 1492 had Engeland al 385 Sint-Nicolaaskerken. (Ter vergelijking: aan Sint-George, de landspatroon, waren slechts 202 kerken gewijd!)

In 1120 wordt in Veurne (Vlaanderen) een Sint-Nicolaasabdij gesticht en van hieruit is waarschijnlijk de verering naar Zeeland overgebracht: er wordt in Middelburg een abdij gesticht (1123) en van daaruit in Dordrecht een kapel in 1175.

Vanaf de 12de eeuw krijgt de verering als volksheilige vaste voet. Vanaf 1228 houden de scholieren in de kathedraal van Bayeux elk jaar een processie naar het altaar van Sint-Nicolaas. Na ongeveer 1300 verbreiden Hollandse kolonisten de Nicolaasverering naar het oosten van Duitsland, rond de Helme, Göttingen (1200: Nicolaaskerk door lakenwevers gesticht). Via de Hanzevaart volgt verbreiding naar Letland en Estland en zelfs via de Noord-Europese handel naar Ijsland.

Voor 1500 is er al in 2137 plaatsen een kerk of kapel aan Sint-Nicolaas gewijd. In de Nederlanden zijn dat:

•1138-1145 abdij Sint-Truiden; Nicolaasfeest ingesteld en altaar opgericht.
•1144 Millen (bij Sittard); parochiekerk aan Sint-Nicolaas toegewijd.
•1163 vermeld in calendarium van de Sint-Janskerk in Utrecht.
•1173 Sint-Nicolaaskapel in abdij van Egmond.

In de liturgie had het Sint-Nicolaasfeest een hoge rang: op het concilie van Oxford (1222) werden daarom aanwijzingen gegeven voor verlichting in de kerk, processies en aflaatverkrijging, en kreeg het Sint-Nicolaasfeest een rode letter in het missaal, wat inhoudt dat het feest de hoogste liturgische rang heeft.

Sint-Nicolaas werd vooral in de hoogste intellectuele kringen, zoals op universiteiten, gevierd. Dit is af te leiden uit een aantal motetten: meerstemmige liederen met ook verschillende teksten.

In 1200 verschijnt voor het eerst een mirakelspel over Sint-Nicolaas in de volkstaal: Li Jus de Saint Nicolas van troubadour Jean Bodel uit Arras. In zijn verhalen en liederen is niet meer sprake van een Byzantijns-Arabische tegenstelling, maar vooral van zwart en wit: → Moren tegen christenen. Het stuk begint met een gevecht tussen Moren en kruisvaarders, waarbij de Moren winnen. Sint-Nicolaas is de verbindende schakel tussen de taferelen. Als van de islamitische koning schatten gestolen zijn en Sint-Nicolaas ze doet terugbezorgen, laat de koning de christenen vrij. Veel Moren bekeren zich. Dit mirakelspel heeft zeker aan de populariteit van Sint-Nicolaas bijgedragen.

De oudste gedrukte levensbeschrijving in het Nederlands staat in Passionael winterstuck of de gulden legende. In 1478 gaf Gher Leeu dit in Gouda uit en binnen twaalf jaar volgden drie herdrukken. Het was een vertaling van de Legenda Aurea van Jacopo da Voragine. In populariteit komt Sint-Nicolaas in de Nederlanden onmiddellijk na Maria, ongeveer gelijk met Sint-Maarten. Rond 1500 zijn tussen de 4000 en 5000 kerken in Europa aan Sint-Nicolaas gewijd.

Kerstening Beke, 2001; Franzen, z.j.; Ghesquiere, 1989; Van Gilst, 1969; Heiser, 1978; Janssen, 1993; Jones, 1978; A Leydis, 1897; Meisen, 1931; Mekking,

1996; Mensing, 2001; Mezger, 1993.