Sinterklaaslexicon

Sinterklaas van A tot Z door Marie-José Wouters

Gepubliceerd op 24-10-2019

Kerstening

betekenis & definitie

Bekering tot het christendom. Voor de Germanen was het waarschijnlijk zeer moeilijk om de christelijke godsdienst te gaan belijden; dat volk, dat mentale en fysieke kracht waardeerde, zag niets in deemoed, zachtmoedigheid en naastenliefde. Omdat de bekering te vuur en te zwaard niet lukte, ging men op aanraden van paus Gregorius de Grote (590-604) over tot het ‘dienstbaar maken aan het christendom’ van Germaanse plaatsen en gebruiken. Op plaatsen waar heilige bomen of bronnen waren, verrezen kerken.

Op gedenkdagen waarop dierenoffers werden gebracht, werd een plechtig maal gehouden, waarbij heiligen en martelaren de oude goden vervingen. Zo kwam in ons land mogelijk de Sint-Nicolaasverering in de plaats van het → joelfeest ter gelegenheid van → Freir, de god van de vruchtbaarheid. Dit proces noemt men assimilatie. Verder was er sprake van demoniseren.

Hierbij worden oude gebruiken of mensen tot des duivels en zondig verklaard. Het bleek een effectief middel om alles wat als onchristelijk gold, te brandmerken. Voorbeelden hiervan zijn heksen, ketters, Moren, joden.

Zo deed men dit met Freia, van wie gezegd werd dat ze samen met ‘Goede Vrouwen’ ’s nachts de huizen bezocht en als zij goed ontvangen werd, zegen schonk.

Freia werd gedemoniseerd tot ‘des duivels moer’, maar bleef in volksverhalen bekend onder de namen Holda (vrouw Holle), Perchta of Befana. In onze contreien nam Sint-Nicolaas deze nachtelijke bezoekerstaak op zich. In Italië brengt Befana nog steeds geschenken op 6 januari. Samenvattend kun je zeggen dat bij de kerstening oude folkloristische gebruiken en goden voor christelijke gewoonten en heiligen werden ingeruild, waarbij de oorspronkelijke goden gesataniseerd of gedemoniseerd werden.

Zo zou ook → Wodan gekerstend zijn tot Sinterklaas, maar tevens gesataniseerd tot de duivel, Zwarte Piet.→ Joelfeest → Moor → Verering → Vloeken → Volksreligie → Vrouwen die gaven schenken Janssen, 1993.