kloris betekenis & definitie

stommeling; sukkel. Verwijst naar de hoofdpersoon uit het achttiende-eeuwse kluchtspel ‘De bruiloft van Kloris en Roosje’. Aanvankelijk werd er een ‘vrijer’ mee aangeduid. Die betekenis komen we nog tegen bij Cissy van Marxveldt (De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul, 1919). Zie ook gekke kloris (en varianten hierop).

Pietje vond hem een saaien kloris en probeerde een grooten roomhoorn op den top van zijn pink te balanceeren. (Chr. van Abkoude, Pietje Bell, of de lotgevallen van een ondeugenden jongen, 1914)

‘Klungel, kinkel, kloris,’ fluisterde hij, ‘je hebt toch leren rekenen.’ (Leonhard Huizinga, Prins Adriaan en Prins Olivier, 1969)

Gepubliceerd op 16-05-2017