klootzak betekenis & definitie

misselijk persoon; rotzak. Bij Teirlinck (gewestelijk) ook in de zin van bedrieger en plager. Betekent eigenlijk ‘balzak, scrotum’. In geschriften uit 1644 verwijzen clooten en klootsack ondubbelzinnig naar dit mannelijk lichaamsdeel. De ontwikkeling tot scheldwoord en krachtterm is een vrij recent verschijnsel. Dankzij kroeg, kazerne en voetbaltribune doken er een aantal varianten op: klojo; klojang; kloothommel en klotenklapper. Verwijzingen naar het mannelijk geslachtsdeel (zoals bijv. eikel; klootzak; lui; zak enz.) ontbreken volkomen in landen zoals Duitsland en Spanje. In Duitsland is de anale zone dan weer erg populair bij het schelden (Arschloch\Arsch\Affenarsch enz.). Een en ander wordt uitgebreider uit de doeken gedaan in het juninummer 2004 van Onze Taal. Toen in 1976 een lid van de Kommunistische Eenheidspartij Nederland (KEN) Hans Wiegel tijdens een verkiezingsbijeenkomst plotseling uitschold voor klootzak volgde het laconieke antwoord: ‘Fijn dat u zich even voorstelt! Mijn naam is Hans Wiegel.’

Tenslotte, maar dit is als zeer persoonlijke reactie: die Charles de Blécourt is wel je vrouwenverleider, hè, en bijgevolg ergens een hevige klootzak. (E. du Perron, Brieven aan Marsman. In: Libertinage. Jaargang 1,1948)

Ga een jaar lang in de rij staan, klootzak! (W.F. Hermans, Paranoia, 1953)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017