klotenbibber, klotenklapper betekenis & definitie

zeurkous; onaangenaam persoon; ongemanierde vent. Bij de marine in de betekenis van ‘grote domoor’. Mogelijk van oorsprong soldaten- of marinetaal. De vrouwelijke variant is de kuttenklapper.

Als je zo’n gereformeerde kloteklapper op zondag naar de weg vraagt keert-ie je z’n hol toe, want de Heer wil niet dat-ie je een behoorlijk antwoord geeft. (Paul A. Wilking, De roerige wereld van Pistolen Paul, 1968) Zeg, klotebibber - de stem van het meisje dat voor het raam had gezeten -, kan dat niet ergens anders? (Harry Mulisch, De verteller, 1970)

Nee, klotebibber, die vent vindt het hartstikke goed! (J.M.A. Biesheuvel, ln de bovenkooi, 1972)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017