aap betekenis & definitie

(m.b.t. kinderen) deugniet, kwajongen. De vrouwelijke vorm komt als scheldwoord weinig voor. Aap wordt meestal voorafgegaan door een bijvoeglijk naamwoord. Een man met veel haar op de borst wordt wel eens een behaarde aap genoemd. Een luie aap wordt gezegd van een luierik. Een langharige aap was in de jaren zestig een scheldwoord voor een langharige. Een schilder werd vroeger wel eens minachtend een kladaap genoemd. Bij de marine is een kettingaap een spottende benaming voor een adelborst. En een krijtaap was in de achttiende eeuw een scheldwoord voor een waard. Zie ook: aangeklede aap, baardaap, badaap, blaat aap, bosaap, bralaap, brilaap, bruine aap, brulaap, fooraap, kankeraap, klapperaap, klereaap, polderaap, ransaap, slingeraap, snotaap, teringaap, tuinaap, woudaap.

Ja Broêr, de jonge is met al zijn beleefdheid, tog een ondraagelijke wijsneus! een zot, een aap. (BetjeWolff, Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding, 1793-1796)

Zeg ’ns, grote aap, had je ’t tegen mij? (Herman Heijermans, Op hoop van zegen, 1900)

Als je de winkel gevonden hebt, stap je naar binnen en vraag je naar die langharige aap. (Hitweek, 25/10/1968)