Dak betekenis & definitie

Dak - In het algemeen het bovenste, afsluitende, dekkende gedeelte van een gebouw, meestal hellend ter afvoering van het hemelwater; meer in het bijzonder is het daarvan slechts het buitenste gedeelte, dat dus bestand moet zijn tegen weersinvloeden en geschikt moet wezen om water af te voeren terwijl het gedragen wordt door de kap, d.i. de constructie, die de muren van het gebouw van boven verbindt. In deze kap onderscheidt men gewoonlijk de kapspanten, ook genaamd kapbinten of kapgebinten — zie hieronder — die voorkomen onder de ontmoetingslijnen der dakvlakken en verder in het algemeen op gelijke afstanden evenwijdig aan elkaar, zóódanig dat ze de ruimte tusschen de muren overspannen en de erop rustende kapbalken of gordingen dragen. Op deze kapbalken rust de dakbedekking, al of niet aangebracht op planken genaamd bebording of beschieting, hetzij direct, hetzij indirect door middel van dakribben, sporen of sparren. Slechts in enkele gevallen is het dak tevens de kap, en wel bij primitieve gebouwen, bij afdekkingen van zeer kleine afmetingen zooals van schoorsteenof ventilatiepijpen en in den laatsten tijd bij enkele daken van gewapend beton.

Oorspronkelijk bestonden woningen der menschen vaak louter uit een dak, dat onmiddellijk op den grond rustte en dat uit aarde, vlechtwerk en in koude streken uit sneeuw, bestond; was de zoodoende afgeschutte ruimte niet voldoende, dan werd het inwendige tot een kuil uitgediept; de woningen van sommige op den laagsten trap van ontwikkeling staande natuurvolken zijn nog op deze wijze ingericht. Sinds de woningen echter aan hooger eischen moesten voldoen en de hutten door bouwwerken werden vervangen, die door wanden, later door muren, waren omsloten, ontstond het op deze wanden of muren rustende dak, dat naar gelang van het klimaat en de ten dienste staande bouwmaterialen verschillende vormen aannam; de daken der woningen in het Oosten en in het algemeen van die der Zuidelijke kultuurvolken waren en bleven plat, meestal van steen of zware balken en met een laag aarde bedekt om de warmte te weren. De Grieksche woonhuizen hadden meestal zwakhellende, ver over de muren vooruitspringende daken, hetgeen vaak in die mate de straten verdonkerde, dat de wetgever zich genoopt zag, de vrijheid in deze te beperken; rijke lieden maakten van hunne daken dikwijls ware lusthoven. Het dakprobleem van den Griekschen en Romeinschen tijd, langen tijd onzeker, is nu opgelost. De d. der Tempels waren „zadeldaken”, als die van onze huizen, maar minder steil: de helling varieert van 1: 6 tot 1: 8; de Rom. d. zijn de steilste. Als bedekking dienden op latten (Latijn: capreoli) steunende groote platte pannen (Lat.: imbrices), als schubben over elkaar uitstekend. De voegen werden met halfbuisvormige tegulae (Lat.) afgesloten. Het materiaal was marmer of terracotta.

Vele tempels hadden een opening midden in het d., om ’t licht door te laten (hypaethrale tempels). — Leerzaamst voorbeeld: Schathuis van Gela te Olympia.— Woonhuizen hadden óf platte daken van bak- of gehouwen steenen op cementgewelf, ook wel eenvoudig een leemen bedekking (dit alles treft men nog vaak in het Oosten, Zuid-Italië en Spanje aan) öf d. als de tempels, maar (Romeinsche manier) naar binnen, naar het impluvium toe hellend. Bij de Noordervolken met hun vochtig klimaat kwam het steile, van het midden naar weerskanten hellende dak meer in gebruik. — Bij een d. onderscheidt men de samenstellende d. vlakken, ook genaamd dakschilden, die vlak of gebogen kunnen zijn; de bovenste ontmoeting dezer vlakken, gewoonlijk horizontaal loopend, genaamd nok of vorst; de hellende ontmoetingen, genaamd hoeken, als de vlakken een hoek vormen kleiner dan 180°, en killen, indien ze een hoek vormen grooter dan 180°; de onderste gedeelten n.1. de goten — zie hieronder — speciaal ingericht tot afvoer van het hemelwater en de dakvensters, ook genaamd dakkapellen en daklichten. Men onderscheidt een tiental dakvormen, met de combinaties hiervan: lessenaarsdak, geveldak, schilddak, wolfdak, tentdak, helmdak, koepeldak, peerdak, plat- of terrasdak en sheddak. Zie figuur 1.— De dakbedekkingen zijn te verdeelen in 1) plantaardige-, 2) steenen-, 3) metalenen 4) papieren en geweven. Tot de eerste behooren die uit bladeren, bijv. palmbladeren, schors, riet, stroo, hout en biezen. Een rieten d. kan aan hooge eischen van beschutting, waterdichtheid en duurzaamheid voldoen, terwijl het aan buitenhuizen vaak een sterk uitgesproken karakter verleent; helaas is het zeer brandbaar. Middelen daartegen door drenking met minerale zouten e.d. helpen slechts zeer tijdelijk. Houten dakpannen worden schubsgewijs over elkaar gedekt; vooral in O.-Indië (Sirap, Borneo) en N.-Amerika komt deze d.-bedekking veel voor.

Tot de tweede groep behooren leien-, pannen-, en betondaken, alle brandvrij. Het leien-d. geeft gewoonlijk een monumentaal aanzien; het kan zeer duurzaam zijn, maar is gewoonlijk kostbaar in aanschaffing vooral door de groote hoeveelheid lood, noodig voor aansluitingen bij nok, kanten en goten. De leemlei komt voor in uiterst dunne platen — 3 à 5 mM. — dank zij de splijtbaarheid van het materiaal, zoodat hiermede een lichte bedekking is te verkrijgen. Men dekt echter ook met platen van zandsteen, kalksteen, glimmer, porfier, leien van gebakken klei, cementsteen en asbeststeen. De leien worden overlappend aangebracht om waterdichtheid te verkrijgen; ze worden vastgespijkerd of in metalen haakjes gehangen. (Zie figuur 2). Vaak worden gesmeedijzeren dakhaken aangebracht op regelmatige afstanden om aanbrengen van ladders voor herstelling enz. gemakkelijk te maken. In het buitenland zijn de rijen leien, uitgezonderd onderste en bovenste, vaak schuins oploopend. Dakpannen, gewoonlijk van gebakken klei doch ook van cementsteen gemaakt, komen in zeer veel soorten voor; de meest gebruikte zijn: Boulet, ook genaamd Echter of Limburger pan naar de plaats Echt, waar een fabriek ervan bestaat, Oegstgeester, Oude en Verbeterde Hollandsche, holle en bolle pan en Tuile du Nord. (Zie figuur 3, a-d).

Pannen-d. mag geen flauwer helling hebben dan 35° om doorwaaien van water te voorkomen. De pannen hangen door middel van nokken aan panlatten, welke gespijkerd worden over de daksparren of wel op de tengels, die de naden der bebordingsplanken bedekken ter afvoering van doorgewaaid of doorgelekt water. (Zie figuur 4). Voor de afdekking der nokken zijn speciale vorstpannen in den handel evenals voor een dichte aansluiting met het voetlood der goten de z.n. voetpannen. Voor beton-d. zie BIMSBETON en BETON. Voor metalen d. wordt gebruikt: koper, lood, zink en ijzer. Koper is zeer kostbaar, wordt zelden toegepast; de oude koperen d. vertoonen een bijzonder fraaie kleur: het bekende kopergroen. Looden d. zijn eveneens kostbaar; dit metaal is door groote buigzaamheid en smedigheid prachtig geschikt en onmisbaar als hulpmiddel voor verbindingen en overgangen, ook daar waar in hoofdzaak andere materialen worden toegepast. Zoowel koper als looden d. bedekkingen kunnen gevaar voor de gezondheid opleveren als het dakwater gedronken wordt.

Zink wordt in ons land veel gebruikt en wel in den vorm van roeven en van ruiten d. (zie fig. 5 en 6), terwijl het algemeen wordt toegepast voor gootbedekking. Het dient altijd zoodanig te worden aangebracht, dat de uitzetting en inkrimping van elk onderdeel volkomen vrij geschieden kan, daar het stug is en een groote uitzettingscoëfficient heeft. Koper, lood en zink worden aan de lucht spoedig bedekt met een huidje oxyde, dat het verdere metaal beschermt tegen verdere ontleding. Op den duur echter wordt dit huidje aangegrepen door de zuren, die zich in de atmosfeer boven onze moderne groote steden met rookgassen uit fabrieks- en locomotiefschoorsteenen bevinden, en zulks sneller naarmate de atmosfeer meer verontreinigd is. IJzer komt als dakbedekking in hoofdzaak slechts gegalvaniseerd voor en wel als geperste dakpannen, gegolfd en geribd plaatijzer in vele vormen.

Toen bleek, dat het verzinksel slecht bestand was tegen de locomotiefrookgassen, is men ervan teruggekomen stationskappen ermede te overdekken; in de aanschaffing had het zeer goedkoope oplossingen gegeven, daar deze bedekking zich van de overigen onderscheidt door een groote draagkracht, zoodat spanten en gordingen licht waren te maken en in enkele gevallen tot een minimum in den vorm van trekstangen waren terug te brengen. Tot de vierde groep behooren de d. van asfaltpapier, hout, cement, mastiek, asfaltvilt, daklinnen, ruberoid en plastique. Het zijn lagen papier, vilt of weefsel van in hoofdzaak plantaardige vezels, die gedrenkt en overstreken worden met koolteerof asfaltpreparaten, zooals mastiek, daklak, teer, enz.; deze d. kunnen al of niet door een laag fijn grind of schelpen beschermd worden tegen atmosf. invloeden. Ze bieden de mogelijkheid, zeer vlakke d. te construeeren, hetgeen van groot economisch belang kan zijn door de geringe „verloren ruimte” der vlakke daken, daar alle samenstellende deelen met kleefstof aan elkaar worden verbonden en dus doorwaaien van water door de naden, zooals bij leien- en pannendaken, niet kan voorkomen; esthetisch wordt dit deel der moderne architectuur nog maar zelden goed opgelost. In ’t algemeen staan vlakke d., wat duurzaamheid betreft, achter bij de hiervoor genoemde d.

De spanten komen, indien ze van hout zijn, voor in de volgende vormen: 1) Hollandsch —; 2) Mansarde —; 3) Philibert —; 4) Hang —; 5) Spring of schoor —; 6) Staande dakstoel —; 7) Liggende dakstoel —; 8) Gespalkte stam- en 9) Gebogen stamspant. Verder komen combinaties voor van verschillende systemen, zooals b.v. methode-Stephan. Het Hollandsche spant, maar vooral het verbeterde Holl. (zie figuur 7) is sterk bij een klein materiaalverbruik, verbindt de muren op een rationeele wijze en is gemakkelijk aan te brengen. In het algemeen is de afstand der spanten h.o.h. ongeveer 4 M. Het Mansardespant (zie fig. 8), aldus genaamd naar zijn uitvinder, architect Mansard (overl. 1666), die het toepaste ter ontduiking van de bouw-voorschriften der stad Parijs, waarbij een max. toe te laten hoogte van de kroonlijst in verband met de straatbreedte werd bepaald, verschaft een groote inwendige dakruimte, waardoor men in staat was boven de kroonlijst nog een geheele woon-verdieping aan te brengen. Philibert-s. (zie fig. 9) genaamd naar den architect Philibert de l’Orme (overl. 1577) is buitengewoon sterk bij gering houtverbruik, doch kost veel arbeidsloon: de spantbeenen zijn geen enkelvoudige balken, maar worden samengesteld uit 2,3 of meervoudig op elkaar gespijkerde schinkels en wel met verspringende naden, zooals de gewoonte is bij formeel-constructies. De eerste maal werd het toegepast ter vorming van een houten ton-gewelf, waarvoor het zich bijzonder leent. Het Hangspant (zie fig. 10), kan gemaakt worden voor zeer groote overspanningen zooals de kap over het Exercitiegebouw te Moskou, gebouwd in 1817 door Generaal Bécampcourt met een wijdte van 48 M., doch vereischt dan zware muren, daar het spant niet bijdraagt tot muurvestiging in tegenstelling met o.a. het Holl. spant. Het Spring- of Schoor-s. (zie fig. 11) oefent een vaak grooten druk uit in zijdelingsche richting op de buitenmuren, die daarom zwaar zijn te maken, tengevolge van het ontbreken eener horiz. verbindingsbalk aan de ondereinden der schoorende spantbeenen.

Men kan er echter groote open ruimten op fraaie en constructieve wijze mede overdekken. De Staande Dakstoel (zie fig. 12) is algemeen gebruikelijk in Duitschland en wordt in ons land slechts in enkele streken voor boerenhoeven toegepast. Dit spant kost zeer veel hout, evenals de Liggende Dakstoel (zie fig. 13) welke laatste meer open dakruimte verschaft. Gespleten- of Gespalkte stam-spant (zie fig. 14) volgens het stelsel van Baurath Laves kan slechts in bijzondere gevallen worden toegepast. Gebogen-stam-spant volgens het stelsel van Majoor Schulz levert vaak economische constructies: men zaagt een boomstam door tot dunne platen door sneden in de lengterichting, buigt deze platen langs elkaar rond en fixeert ze door doorgedreven bouten.

Een consequentie, in den laatsten tijd met succes toegepast, is het systeem-Hetzer, waarbij dunne planken over elkander gebogen, en gefixeerd door middel van een speciaal soort lijm, beugels en bouten, de spantbeenen vormen. Een zeer belangrijke toepassing hiervan is de locomotief-loods te Bern, gebouwd in 1912, waarbij overspanningen voorkomen van 24,82 M. Het stelsel-Stephan, eveneens een moderne houten spant-constructie, vormt de spantbeenen als ruimte-vakwerken. Verder komen combinaties van bovengenoemde systemen voor. Uit het volgende staatje, aangevende het houtverbruik noodig voor de spanten met verbindingen ter overdekking van een ruimte, lang 12,5M. en breed 10 M., door middel van 6 verschillende stelsels, blijkt hoe voordeelig o. a. de Holl. constructie is:

Hollandsche kap: 4,862 M2 hout Philibert „ 3,224 „ " „ Mansarde „ 5,302 „ „ Staande dakstoel: 9,619 „ f„ Liggende „ 9,275 „ Gegoten ijzeren spanten worden de laatste jaren nagenoeg niet meer gemaakt; ze bieden geen karakteristieke vormen; het zijn namaaksels van steen- of houtconstructies in gietijzer, welk materiaal daarvoor minder geschikt is. Getrokken ijzeren spanten verschaffen de mogelijkheid ruimten van, practisch gesproken, iedere gewenschte spanning te overdekken, en wel in den vorm van plaatligger, van vakwerkligger of van ruimtevakwerk. Onze moderne tijd met zijn behoefte aan groote overdekte ruimten, zooals tentoonstellingsen stations-hallen, dreef de architecten en ingenieurs tot het zoeken van oplossingen in die richting. De andere vormen zijn: Polonceau-, Engelschen Belgisch spant, (zie figuur 15). De nieuwere vormen, w.o. de merkwaardige Parapluie-kap, onderscheiden zich in hoofdzaak van de genoemde, doordat het spant zich direct vanaf den grondslag verheft, dus zelf de wandstijlen vormt en niet meer een vert. en hor. druk op de muren uitoefent; vooral de laatste is moeilijk door metselwerk op te nemen. Zie IJZERCONSTRUCTIES voor de zeer-uiteenloopende oplossingen.

Gewapend-beton-spanten; zie BETON. Dakvensters, ook genaamd dakkapellen, en meer het bijzonder daklantaarns, daklichten of dakramen, indien ze ongeveer dezelfde helling hebben als het dakschild, waarin ze zijn aangebracht, komen in zeer veel vormen voor, vanaf de eenvoudige glazen pannen en gegoten ijzeren dakramen van kleine afmetingen tot de monumentale uitbouwen, die vooral de gebouwen der Nederlandsche Renaissance zulk een volbloedig, levendig en feestelijk karakter gaven (zie fig.16) en de groote glasvlakken der sheddaken, algemeen gebruikelijk in fabrieken en musea-ruimten met bovenlicht, waar ze, bij voorkeur op het Noorden geplaatst, een zee van helder, neutraal licht doorlaten. Voor deze sheddak-glasvlakken komen speciale metalen raamroeden in den handel voor van ijzer met zink of lood bekleed, die boven houten roeden voorhebben: duurzaamheid, weinig onderhoud, weinig licht-onderschepping, practischen afvoer van leken condensatiewater en gemakkelijke aanbrenging en herstelling van gebroken ruiten. — Dakgoten geleiden het hemelwater naar spuwers of afvoerpijpen, die het verder voeren naar straat of rioleering; oorspronkelijk waren het doorgekloofde en daarna uitgeholde boomstammen, in de tropen bamboestammen, waaruit de tusschenschotten verwijderd waren e. d. Daarna kwamen de steenen goten (al of niet bekleed met lood of zink), de gegoten ijzeren, gegalv. ijzeren, de zinken en de houten goten bekleed met lood, zink of asfaltvilt meer in gebruik. Bij zinken of met zink bekleede goten dient weer gezorgd te worden voor een volkomen vrijheid van uiten inkrimpen, hetgeen gewoonlijk geschiedt door het aanbrengen van gootbruggen (zie fig. 17). Bij onbekleede steenen goten is het gewenscht onder de voegen spuwers aan te brengen, daar op den duur ze niet waterdicht blijven. Beroemd zijn de fantastische spuwers der Notre-Dame te Parijs, schitterende voorbeelden van Gotische beeldhouwkunst.