Aardrijkskunde betekenis & definitie

Aardrijkskunde - De internationale naam van de wetenschap der aardrijkskunde is een van oudsher gebruikelijke : géographie. Dit woord beteekent letterlijk aardbeschrijving en geeft de hoofdtak dezer wetenschap nog altijd uitnemend weer, althans indien men onder aarde — gelijk steeds de bedoeling is geweest — verstaan wil: aardoppervlakte. De aardrijkskunde houdt zich niet bezig met de aarde in haar geheel, als wiskunstig lichaam (dit doet de geodesie) of als natuurkundig lichaam (dit is de taak der geophysica), noch heeft zij te maken met de inwendige structuur der aardkorst (welker studie tot de geologie of aardkunde behoort). De aardrijkskunde beschrijft de aardoppervlakte, en wel in ’t bizonder de landoppervlakte, want de beschrijving der zeeën is in de laatste jaren tot een afzonderlijke wetenschap ontwikkeld: de océanographie.

De landoppervlakte wordt bij die beschrijving verdeeld, meestal naar de staten, die men dan in den laatsten tijd pleegt onder te verdeelen niet naar hun administratieve indeeling, maar in natuurlijke landschappen, bij welke indeeling de bodemgesteldheid het voornaamste criterium uitmaakt. In vroegeren tijd, toen het onderzoek minder diep ging dan tegenwoordig en de beschrijving minder gedetailleerd was, had men er weinig moeite mee den aard en de methode eener aardrijkskundige beschrijving aan te duiden. Men schreef eenvoudig alles wat men van een land wist en noemde het geheel de géographie van dat land. Tegenwoordig zou dat niet meer gaan. Een moderne bodembeschrijving — om als voorbeeld te nemen de beschrijving van een factor, die uit den aard der zaak altijd een hoofdelement eener landbeschrijving geweest is —, omvat zooveel, dat verschillende speciale wetenschappen zich daarmee bezig houden: de géomorphologie tracht de bodemvormen uit hun geschiedenis te verklaren; de pédologie beschrijft de bodemsoorten, in ’t bizonder die der losse bovenkorst; de geologie beschrijft de diepere lagen en tracht haar gesteldheid en ligging te verklaren, waarbij zij weer de hulp der pétrographie (gesteentenleer) en der palaeontologie (versteeningenkunde) noodig heeft. Niet langer kan de geograaf al dezen arbeid verrichten.

Zoo is het zijne taak geworden, den toestand en de verschijnselen van elk deel der landoppervlakte te beschrijven in hun causaal verband: den toestand van bodem, water en lucht, van plantenen dierenwereld, en de wisselwerkingen van deze factoren-verdeeling; en ten slotte — als hoofdtaak — hoe de mensch den invloed van dit milieu ondergaat en zelf weer veelal dit milieu wijzigt. Wil men bij de beschrijving een bizondere werkzaam leid van den mensch op den voorgrond plaatsen, dan kan men spreken van toegepaste aardrijkskunde: o.a. van handelsaardrijkskunde, of uitgebreider economische aardrijkskunde; ook van verkeersgeographie en zelfs van militaire geographie. Maar de aardrijkskunde in zuiver wetenschappelijken zin, zonder beperkend adjectief, houdt zich bezig met de structuur der menschenmaatschappijen in haar ganschen omvang, voor zoover bij deze de invloed van het milieu is na te speuren. De taak der geografen is dus de samenstelling van een groote reeks monographieën van landschappen en landen, waaruit een wetenschappelijke beschrijving der gansche aarde kan worden opgebouwd. De meeste en beste dezer monographieën zijn tot dusver in Frankrijk verschenen.