Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 19-01-2019

Wil

betekenis & definitie

Wil - beteekent:

1) het vermogen om te willen;
2) het geheel aller wilsprocessen;
3) inhoud en doel van het willen.

Het willen is een functie van het menschelijk bewustzijn (zie de artikels: BEWUSTZIJN, DENKEN, GEVOEL, VOORSTELLEN), en wel een primaire, oorspronkelijke, en, hoewel met de andere bewustzijnsfuncties noodwendig verbonden, uit deze nooit afleidbaar. Vergeefs trachten nog vele psychologen den w. tot iets secundairs te maken, hem als product uit andere factoren (bewegingsgewaarwordingen, voorstellingen, gevoelens en hun verbindingen) te verklaren. In tegenstelling tot het voorstellen aan den eenen kant, dat zich bepaalt tot het Zijnde en werkelijke, ligt er in het willen een tendens, een richting naar het niet-werkelijke, dat echter tot werkelijkheid zal gemaakt worden; terwijl aan den anderen kant het gevoel slechts te kennen geeft, of de eisch van het willen vervuld is of niet. Al kan de w. ook nooit buiten voorstellingen en (lust en onlust) gevoelens, hij is toch tegenover deze iets qualitatief-anders. In hem openbaren zich het duidelijkst de activiteit en spontaneïteit van den geest. Hij bewerkt veranderingen in den lichamelijken en geestelijken toestand van het individu, en daardoor indirect in den lichamelijken en geestelijken toestand van nietlevende dingen en van levende wezens en personen. Neemt men het begrip „wil” in den wijdsten zin, dan moet men verschillende trappen van activiteit onderscheiden:

1. de zinnelijke en instinctieve drift, geheel gebonden aan ’t gegevene, praesente, en daarin als ’t ware opgaande, alleen op het allernaaste zich richtend, dus met een minimum van eigenlijk „handelen”;
2. w. in minder wijden zin, zich bevrijdend van het tegenwoordige, gegevene, zich een „bepaalde” zaak tot doel stellend, dus reeds door de macht van het bewustzijn een concentratie der strevingen bewerkend, op „kiezen” en dus „beoordeelen” berustend. Een analogon daarvan treft men reeds aan bij de hoogere dieren. En 3. w. in engsten zin, redelijke w., zuivere praktische Rede, zedelijkheid, de hoogste concentratie en eenheid van strevingen beoogend.

Hij is door den mensch als redelijk wezen steeds na te streven, maar kan in het werkelijke leven en het daarin empirisch bepaalde willen nooit ten volle worden verwezenlijkt. — De w. is bij den mensch dus nooit de mechanische resultante van vooruitgegeven driften en neigingen. De mensch is in zijn willen aangelegd op vrijheid.