Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

klimmen

betekenis & definitie

(klom, heeft en is geklommen), (onoverg.)

1. met handen en voeten zich vastklemmend, zich in de hoogte werken langs een helling of een opstaand voorwerp, opklauteren: in een boom —; in de mast —; op genoemde wijze de andere zijde van iets bereiken: over banken en tafels (in ruimere zin) langs een helling of trap of op andere wijze naar boven gaan of zich verplaatsen: heb je een trapje, dan kan ik erbij naar de top van een berg —; op een toren (spr.) wie hoog klimt, valt laag;
2. (van planten) zich groeiend tegen iets naar boven werken; (van een weg) zich in opwaartse glooiing uitstrekken;
3. (oneig.) stijgen, rijzen (niet langs een helling, werkelijk of schijnbaar): de zon klimt aan de hemel; vandaar metonymisch: de dag klimt; (van geluiden) hoger worden;
4. hoger worden, zich naar boven uitbreiden: het water, de vloed klimt;
5. (fig.) een hogere positie gaan innemen, omhoogkomen, opklimmen: tot hoge waardigheden -;
6. toenemen, vermeerderen, sterker, heviger worden: met klimmende belangstelling; de schuld klom tot ongehoorde hoogte; zijn jaren -, hij wordt oud; bij, met het van de jaren.