Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

godsdienstgeschiedenis

betekenis & definitie

v., de studie van de godsdienst naar zijn wezen en zijn verschijningsvorm. (e) Godsdienstgeschiedenis is de naam waaronder m.n. in Frankrijk, België en Nederland twee verschillende disciplines werden samengevat:

1. de beschrijving van de wording en groei van de afzonderlijke godsdiensten, en op grond daarvan van de wording en groei van de godsdienst in het algemeen;
2. het vergelijkend onderzoek van de afzonderlijke verschijnselen en godsdiensten (sinds de jaren vijftig godsdienstfenomenologie genoemd).

De wetenschappelijke behandeling van de godsdienstgeschiedenis begon pas in de tweede helft van de 18e eeuw. Aanvankelijk droeg de godsdienstgeschiedenis öf een zuiver polemisch karakter of zij miste voldoende feitenkennis. De grote vorderingen van de taalwetenschap in de 19e eeuw en de filosofische drang om het verband tussen idee en vorm te verstaan, gaven een krachtige impuls. Vooral de Duitse taalkundige en mytholoog F.M. Müller (*1823, f1900) werd een baanbreker met zijn 49-delig Sacred books of the East (1849—75). Nederland gaat in deze wetenschap mede vooraan: al in 1864 gaf de theoloog en oriëntalist C.P.Tiele zijn De godsdienst van Zarathustra bij de oud-Perzische volken uit en in 1876 het eerste handboek over de godsdienstgeschiedenis.

In 1887 verscheen op initiatief van de godsdiensthistoricus P.D.Chantepie de la Saussaye de eerste druk van het Lehrbuch der Religionsgeschichte. Van de latere Ned. godsdiensthistorici kunnen genoemd worden: W.Kristensen, G. van der Leeuw, H.T.Obbink, H.Wagenvoort, J.de Vries, C.Bleeker en J.Gonda. In Frankrijk werd de Lyonese koopman E.Guimet de grondlegger door in het Musée Guimet een rijke collectie godsdiensthistorisch materiaal bijeen te brengen (1876). Voor België kunnen genoemd worden F.Cumont, L.de la Vallée Poussin, J.Duchesne-Guillemin en E.Lamotte. Sindsdien zijn in vrijwel alle landen leerstoelen aan deze wetenschap gewijd. Toch ontbrak het niet aan verzet, vooreerst van kerkelijk-orthodoxe zijde, waar men gevaar vreesde voor het absolute karakter van het christendom.

En vele linguïsten houden godsdienstgeschiedenis (vooral de onder 2 genoemde vorm) voor een onmogelijk vak, omdat niemand het reusachtige terrein geheel kan overzien: zij willen de godsdienstgeschiedenis verdelen onder de verschillende taalgeleerden; daarbij dreigen echter de historische en typisch religieuze factoren in het gedrang te komen, en wordt bovendien de godsdienstfenomenologie verwaarloosd. litt. G.Mensching, Gesch. der Religionswissenschaft (1948); H.Gorce en R.Mortier, Histoire générale des religions (5 dln. 1944-51); G.van der Leeuw (red.), De godsdiensten der wereld (3e dr. 1956).