Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 27-06-2020

2020-06-27

grond

betekenis & definitie

m. (-en),

1. de bodem waarop men leeft, de oppervlakte van de aarde: de dreunt; takken die neerhingen tot de —; de was met bloemen bedekt; laag bij de blijven, zich laag bij de houden, (fig.) geen buitensporige dingen doen, (ook) geen hoogvlieger zijn; laag bij de — (van uitingen), plat, niet verheven; de begane —, de natuurlijke oppervlakte van het terrein, het maaiveld; iets met de gelijkmaken, het slechten, slopen; een gebouw tegen of voor de gooien, het afbreken, slopen; de kerk brandde tot de toe af, geheel;
2. het vlak waarop men gaat of staat, hetzij het aardoppervlak of de vloer van een gebouw, een vertrek enz.: de — waarop de kerkstaat is wat hoger dan het omringende land; hij viel met een bons op de —; het kind zit op de te spelen; iets op, tegen de — gooien; hij stond als aan de — genageld, onbeweeglijk door ontzetting of verbazing; hij meende door de te zinken, voelde de onder zich wegzinken, had (van ontzetting, schaamte enz.) het gevoel, niet meer vast op de grond te staan;
3. (schilderkunst) onderdeel van het grondvlak van een schilderij of tekening, plan: een landschapje met vijf diepten of gronden;
4. een begrensd gedeelte van het aardoppervlak (veld, akker, terrein enz.), land:

kopen, verkopen, verhuren; ingepolderde, verdronken, woeste gronden; een mooie lap —, een flink of vruchtbaar stuk land; geen duimbreed gronds willen af staan; de vaderlandse -, het vaderlandse grondgebied; neutrale —, onzijdig gebied; stuk land dat iemand in eigendom of in gebruik heeft, erf: vruchten, aardappelen van eigen —; liggende gronden, vaste goederen, goederen die bestaan in landeigendom; — verliezen, (fig.) terrein verliezen, de kans op slagen zien verminderen, zijn positie niet kunnen handhaven;

5. de opperste laag van de aardschors die planten kan laten gedijen: een slappe, een harde —; de ontginnen, openen, de bodem ontginnen; het gezaaide komt uit de -, komt op; zij verrijzen als paddestoelen uit de —, (fig.) komen overal in groot aantal te voorschijn; (zegsw.) roodhaar en elzehout wordt op geen goede gebouwd, iemand met rood haar kan niet deugen; de aardappels zijn al uit de -, zijn gerooid; hij is al tien jaar onder de —, dood en begraven; (gemeenz.) iemand onder de stoppen, hem begraven; vaste —, stevige, betrouwbare bodem; hij is blij dat hij eindelijk weer vaste onder de voeten heeft, (na vliegof bootreis) dat hij aan land is; ook fig.: dat hij weer op bekend terrein is; de koude —, de onbeschutte moesof tuingrond (in tegenst. tot kunstmatig verwarmd terrein als kassen): aardbeien van de koude vandaar fig.: hij is een latinist van de koude grond, die weinig betekent; gewijde —, aarde die gewijd is, het kerkhof: hij rust in gewijde
6. (geologie) terrein dat bestaat uit een laag van een bepaalde soort grond: primaire, secundaire, alluviale gronden; rotsgrond, zandgrond;
7. (korrelige of weke) stof waaruit de aardschors bestaat, aarde (e): — vergraven; schrale, vette, vruchtbare —;
8. het vlak waarop een gebouw staat, dat waarop het steunt, de fundamenten: de van een huis leggen; een — slaan, een fundering van palen inslaan; de — is (on)bestorven, het metselwerk ervan is (nog niet) gedroogd en hard geworden;
9. (oneig.) dat waarop iets steunt of gevestigd is in oneig. zin, grondslag: de gronden van een rechterlijke uitspraak, de motieven waarop de uitspraak steunt; dat steunt op losse gronden, gaat niet van een dergelijk beginsel uit; die zaak heeft een — van waarheid, een beginsel van waarheid, er ligt iets waars aan ten grondslag; iets op goede gronden beweren, met degelijke bewijsmiddelen; gronden voor iets aanvoeren, argumenten bijbrengen; er bestaat om te menen dat rechtmatige aanleiding; uw verdenking is van alle — ontbloot, is ongegrond, daarvoor is geen aanleiding; niet zonder was hij ontevreden, met reden; op van, om reden van, wegens; afgunst is de van veel verdriet, de oorzaak; ik weet niet uit welke hij zo handelt, uit welke beweegredenen;
10. dat wat onder of achter iets anders is, ondergrond: heldere kleuren komen het meest uit op een donkere -; stof die men aanbrengt om het wezenlijke werk te kunnen volbrengen, b.v. van borduren de stof waarop men borduurt, voor vergulden de kleefstof die men op een voorwerp aanbrengt om het goud te kunnen hechten; de oorspronkelijke kleur van iets, m.n. de oorspronkelijke witte kleur van wasgoed: het goed was zo vuil, dat er geen in te krijgen was, dat het niet meer schoon te wassen was; (weverij) het patroon, het plan, waarnaar de wever werkt;
11. het onderste, het oppervlak van iets dat diep of hol is, de bodem: die kuil is zo diep,

dat men met geen stok de kan raken;(spr.) op de van het vat vindt men de hef, de kwade gevolgen komen achteraan;

12. de bodem onder water, de bedding van een rivier, een meer, de zee enz.: het peillood laten zakken tot menvoelt; het schip is aan de geraakt, is in te ondiep vaarwater vast komen te zitten; aan de — zitten (van een schip), op een ondiepe plaats onbeweeglijk vastzitten; (fig. van een persoon) in benarde omstandigheden verkeren, niet vooruit komen, m.n. geen geld meer hebben; het schip raakt —, raakt met de kiel de bodem van het water; aan de zuigen(van een schip) door de nabijheid van grond vertraging in de vaart ondervinden: platte stoomschepen, die weinig diep gaan, zuigen soms zo hard aan de dat ze helemaal niet sturen willen; peilen,met peillood of stok de diepte van het vaarwater onderzoeken; krijgen, hebben, met het dieplood de bodem bereiken, bereikt hebben (op een ondiepe plaats); — voelen, de bodem van het water onder de voet, onder het vaartuig voelen; (fig.) genoeg gegeten en gedronken hebben, voelen dat men verzadigd is, (ook) bespeuren dat men zich niet verder moet wagen; een schip in de boren,het laten zinken, oorspronkelijk door er gaten in te boren, vervolgens door schieten, door het aan te varen enz.; (fig.) iemand (of iets) in de boren(of helpen),ruïneren, ten val brengen; iemand (of iets) te gronde richten,bederven, ruïneren; te gronde gaan,zinken: het lichte kurkje staat boven, maar het gelode net gaat te gronde; (m.n. van drenkelingen en schepen) verdrinken, vergaan; (fig.) ondergaan, in het verderf storten, tenietgaan: de eens zo bloeiende stad ging te gronde; zich in de werken, zich ruïneren;
13. de bodem (of deel daarvan) van de zee of van andere wateren met betrekking tot de gesteldheid of de hoedanigheid: schonezonder klippen, riffen, ondiepten, wrakken enz.; vuile —, het tegenovergestelde daarvan: vuile gronden bederven de kabels,(fig.) kwaad verkeer bederft de zeden; diepe -, die diep gelegen is; (spr.) stille waters hebben diepe gronden,in lieden die zich weinig uitlaten, zit vaak meer (verstand, ondeugd, valsheid, arglistigheid enz.) dat men naar de uiterlijke schijn vermoeden zou; de Gronden, het ondiepe gedeelte van de Atlantische Oceaan ten westen van het Kanaal; — houden, (van een anker) vatten, pakken, niet doordreggen; (fig.) die bewering houdt geen -, mist alle vastigheid, houdt geen steek; breken, het anker lichten, onder zeil gaan; goede ankergrond is de beste -, men moet zijn hoop en verwachting stellen op wat vast is;
14. het diepste, onderste gedeelte van iets, meestal oneig., van onstoff. zaken: de — van de dingen verstaan,het wezenlijke, de kern; dat komt uit de van zijn hart, uit het diepst van zijn gemoed, is oprecht gemeend; in de -, in het innerlijke wezen van de zaak; in de heeft hij gelijk,in wezen; iets in de beheersen, het door en door, volkomen machtig zijn; iemand in de bederven,geheel en al; in deis hij goedhartig,in zijn eigenlijke aard.

(e) Grond is een term uit de bodemkunde, gedeeltelijk gebruikt als synoniem voor bodem, zowel in samenstellingen als in zelfstandig gebruik: zandgrond, slecht ontwaterde grond. In andere gevallen wordt het losse materiaal bedoeld dat uit de bodem gehaald wordt: grondmonster, een vrachtwagen met grond. Grond in de zin van los materiaal is een mengsel van minerale bestanddelen van verschillende korrelgrootte (→textuur), van meer of minder humus, soms van koolzure kalk en van andere stoffen die gedeeltelijk gebonden zijn aan het adsorptiecomplex en gedeeltelijk opgelost zijn in het bodemvocht. Omdat grond nooit geheel massief is, is ook de bodemlucht een bestanddeel ervan.