coach betekenis & definitie

coach - [Eng.], m. (-es),

1. koets, met op een zwaar onderstel een kast voor vier passagiers waaraan voor en achter grote rechthoekige bagageruimten, en waarop vooraan een koetsiersbok en een plaats voor een passagier, bovendien een of meer passagiersbanken ©;
2. auto met tweedeurs gesloten carosserie voor minstens vier personen;
3. (sport) oefenmeester, trainer;
4. helper, repetitor;
5. autobus voor vervoer over lange afstand.

© In Engeland verscheen in 1784 bij de instelling van de Royal Mail de eerste Royal Mail coach (mail) op de weg. Dit type had bovenop plaats voor vier passagiers en een zitje voor de guard die de post bewaakte. De stage coaches (coach) van particuliere ondernemingen waren vooral bestemd voor personenvervoer en bezaten bovenop twee driezitsbanken meer. De opkomst van de trein verminderde de belangstelling voor deze passagiersdiensten. Ca. 1865 werd het gebruik van de park coach of drag coach een sport voor particulieren.

Dit type was lichter en fraaier; het achterste bankje op ijzeren steunen was bestemd voor twee palfreniers. Tezelfdertijd werden er weer lijndiensten ingesteld met road coaches met bovenop plaats voor 14 personen in totaal.