Wat is de betekenis van Coach?

2020
2021-08-04
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

coach

Het begrip coach heeft 3 verschillende betekenissen: 1) trainer. iemand die voor zijn beroep of ook wel uit liefhebberij een sportploeg of een individuele sporter op technisch en tactisch gebied begeleidt; oefenmeester; trainer. 2) begeleider. iemand die mensen begeleidt die op sociaal-maatschappelijk gebied hulp nodig hebben; hulpve...

Lees verder
2019
2021-08-04
Instituut voor de Nederlandse Taal

Het Instituut voor de Nederlandse Taal is een breed toegankelijk wetenschappelijk instituut op het gebied van het Nederlands.

Coach

Coach, 1. iemand die een sportploeg of een individuele sporter op technisch en tactisch gebied begeleidt, bijvoorbeeld een bondscoach of een voetbalcoach. 2. iemand die mensen begeleidt en ondersteunt die op een bepaald gebied, bijvoorbeeld op sociaal-maatschappelijk gebied of op hun werk, hulp nodig hebben, vaak praktische hulp.

Lees verder
2019
2021-08-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

coach

coach - Zelfstandignaamwoord 1. (beroep) iemand die beroepsmatig mensen of dieren begeleidt teneinde hun prestaties te verbeteren Met Rinus Michels als coach won Nederland in 1988 het EK voetbal. 2. touringcar coach - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd...

Lees verder
2018
2021-08-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

coach

coach - zelfstandig naamwoord uitspraak: kootsj 1. wie zegt wat er moet gebeuren ♢ de coach bepaalde wie op de bank moesten blijven zitten Zelfstandig naamwoord: kootsj de coach de coaches ...

Lees verder
2017
2021-08-04
Voetballers

Jargon & Slang van Voetballers

Coach

Coach - (Eng.) trainer.

2014
2021-08-04
Else Reijnen

| EXECUTIVE COACH | TEAMCOACH | DENIEUWESPELERIJ.NL

Coach

Een coach begeleidt en ondersteunt het ontwikkelingsproces van individuen en/of teams. Een coach richt zich op het vergroten van de effectiviteit van het individu en/of het team. De coach doet dit door bewustwording, het vergroten van zelfvertrouwen en het exploreren, ontwikkelen en toepassen van eigen mogelijkheden. Een coach richt zich vaak op ee...

Lees verder
2009
2021-08-04
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

coach

→ wielercoach

2009
2021-08-04
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

coach

(de; -es) 1 -(golf)professional die de vaste begeleider is van een golfteam of individuele golfer, en die ook verantwoordelijk is voor de trainingsschema’s, de training van de swing en de wedstrijdstrategie, syn. golfcoach. 2 - golfleraar die spelers lessen geeft, (professioneel) begeleidt en voorbereidt op wedstrijden, syn. golfcoach. → teaching...

Lees verder
2008
2021-08-04
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

coach

(de; -es) 1 SP - vaste begeleider van een sportploeg of sportbeoefenaar, die vaak tevens eindverantwoordelijk is voor het trainingsschema en de wedstrijdstrategie. 2 sp - begeleider, adviseur, helper. • Niet elke trainer is een coach, en omgekeerd ook niet. In gymland wordt vaak gewerkt met een mental coach, want het verschil tussen slagen en fale...

Lees verder
2004
2021-08-04
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

coach

Politiek correcte benaming voor een overste; baas. Hiërarchie is tegenwoordig een vies begrip geworden. Een chef installeert zich nu, als coach, tussen zijn medewerkers. Het Engelse woord ‘coach’ klinkt minder autoritair en dus meer neutraal. De eigenlijke betekenis is die van koets, rijtuig. Daaruit ontstond het werkwoord ‘to coach’ (iemand in een...

Lees verder
1994
2021-08-04
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Coach

[Eng. = oorspr.: grote reiskoets, meestal met vier paarden bespannen; van Fr. coche = koets, van Hongaars kocsi = van Kocs, een plaats in Hongarije] 1 bep. model auto, met aan elke zijde één brede deur; 2 begeleider van een sportploeg.

Lees verder
1993
2021-08-04
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Coach

instructeur; oefenmeester; autobus; gesloten auto met twee deuren

1981
2021-08-04
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Coach

[Eng. kootsj], 1. sportleraar, trainer; 2. koets, als personenauto, een vierpersoonswagen met aan elke zijde een deur.

Lees verder
1973
2021-08-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

coach

[Eng.], m. (-es), 1. koets, met op een zwaar onderstel een kast voor vier passagiers waaraan voor en achter grote rechthoekige bagageruimten, en waarop vooraan een koetsiersbok en een plaats voor een passagier, bovendien een of meer passagiersbanken (e); 2. auto met tweedeurs gesloten carosserie voor minstens vier personen; 3. (sport) oefenmeeste...

Lees verder
1955
2021-08-04
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Coach

trainer van een ploeg; Eng. naam voor diligence

1950
2021-08-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Coach

(Eng.), m. (coaches), trainer (van een ploeg).

1949
2021-08-04
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Coach

(1), trainer, oefenmeester op het gebied van sport; (2) soort rijtuig.

Lees verder
1948
2021-08-04
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

coach

(kootsj) (Eng.) 1 rijtuig; 2 trainer.

1933
2021-08-04
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Coach

Coach - trainer van roeiploegen.

1916
2021-08-04
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Coach

Coach - (Eng.), reiskoets. Wordt op concourship. gebruikt bij 4-spannen.