Reserveer nu mijn nieuwste boek

Fossiel betekenis & definitie

Versteend of anderszins bewaard gebleven overblijfsel van een organisme dat leefde in het verleden

Als planten of dieren sterven en bedekt worden door sediment, vulkanische as of ander materiaal, kunnen ze fossiliseren doordat opgeloste stoffen vanuit de afzetting waarin ze liggen doordringen in de weefsels en daar mineraliseren. Het organisch materiaal krijgt daarmee de samenstelling, de kleur en de consistentie van de aardlaag waarin het gelegen is.

Fossielen betreffen meestal alleen de harde delen van een plant of dier. De zachte delen breken snel af en krijgen weinig kans om te fossiliseren. Van kleine organismen zonder harde delen, zoals planten, schimmels, insecten, wormen en eencelligen hebben we heel weinig fossielen.

Van een fossiel is in de eerste plaats de vorm belangrijk. Welke soort en welk onderdeel van het lichaam betreft het en hoe past het fossiel in de vormen die we al kennen? Maar behalve de vorm is ook de context van de vondst van belang: in welke aardlaag was het aanwezig, welke andere fossielen of artefacten waren er mee geassocieerd, en wat was de ruimtelijke verspreiding van dat alles? Tenslotte is natuurlijk de ouderdom van een fossiel belangrijk. Deze wordt met behulp van isotoopratio’s of anderszins afgeleid uit de aardlagen waarin het fossiel gevonden werd.

De fossiele gegevens vormen met elkaar een onregelmatige serie momentopnames van het leven op aarde. Ze vertellen niet het complete evolutieverhaal. Darwin klaagde al over de “imperfection of the geological record”. Maar toch zijn fossielen onmisbare ijkpunten voor de reconstructie van het leven. Binnen de evolutionaire wetenschappen neemt de paleontologie (studie van fossielen) daarom een bijzondere plaats in.