waar betekenis & definitie

waar - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord

1. precies als in de werkelijkheid
♢ het is een waar gebeurd verhaal
1. zijn ware bedoeling
[zijn echte bedoeling]
2. een waar paradijs
[je kunt het echt wel zo noemen]
3. eerlijk waar?
[is het echt zo]
4. het is maar al te waar
[het is echt waar]
5. het voor waar aannemen
[het geloven]
6. waar of niet?
[is het niet zo?]
7. zijn ware gezicht tonen
[laten zien hoe hij werkelijk is]
8. het is niet waar!
[uitroep van ongeloof]
9. het is te mooi om waar te zijn
[het is zó fijn dat ik het nauwelijks kan geloven]
10. niets is minder waar
[het is absoluut onjuist]
11. verdomd als het niet waar is
[ik ben er echt van overtuigd dat het waar is]
12. zo waar als ik Thimo heet
[dat zeg je om je woorden kracht bij te zetten]
13. iets tot ware proporties terugbrengen
[de juiste betekenis geven van wat overdreven is voorgesteld]
14. de ware Jacob
[de volmaakt geschikte partner]
15. dat is je ware
[dat moet je hebben]

1. op welke plaats
♢ waar woon je?

1. spullen die je te koop aanbiedt
♢ de marktkoopman stalde zijn waren uit
1. goede waar verkoopt zichzelf
[wat goed is, heeft geen aanbeveling nodig]
2. alle waar is naar zijn geld
[goedkope spullen zijn vaak niet goed]
3. waar voor je geld krijgen
[goede spullen krijgen]

Algemene uitdrukkingen:
1. dat is waar ook
[ik was het bijna vergeten]
Bijvoeglijk naamwoord: waar
de/het ware ...
iets waars

Bijwoord: waar

Zelfstandig naamwoord: waar
de waar
de waren

Synoniemen
echt, heus, natuurlijk, onvervalst, reëel, waarlijk, werkelijk

Tegenstellingen
irreëel