Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

2017-11-30

lekker

betekenis & definitie

lekker - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord
uitspraak: lek-ker

1. wat goed smaakt
wat een lekkere appel is dat!
1. iemand lekker maken
[zorgen dat hij ernaar verlangt]
2. lekkere trek hebben
[zin in lekkere dingen]
3. wat je ver haalt is lekker
[wat van ver komt wordt meer gewaardeerd]
4. lekker is maar één vinger lang
[genieten duurt maar even]
5. voor het lekker
[omdat het zo lekker is]
2. prettig en aangenaam
♢ die bloemen ruiken lekker
1. dat zit me niet lekker
[dat bevalt me niet]
2. een lekker ding
[aantrekkelijke persoon]
3. lekker in het gehoor liggen
[gemakkelijk om naar te luisteren]
4. je bent niet lekker!
[je bent niet goed wijs]
5. dat is een lekker stel
[die samen niet veel goeds van plan zijn]
6. het zit me niet lekker
[ik ben er ontevreden of bezorgd over]
3. gezond en fit
♢ ik voel me vandaag niet lekker
1. je bent niet lekker!
[je bent gek!]

1. waarvan je in een goede stemming komt
♢ jij mag lekker niet mee!
2. in hoge mate
♢ het eten was lekker warm
3. woord waarmee je leedvermaak uitdrukt
♢ jij mag vanavond lekker niet mee!

Bijvoeglijk naamwoord: lek-ker
... is lekkerder dan ...
het lekkerst
de/het lekkere ...
iets lekkers

Synoniemen
smakelijk

Tegenstellingen
onsmakelijk

Algemene uitdrukkingen:
1. lekker puh!
[uitdrukking van leedvermaak]
Bijwoord: lek-ker

Synoniemen
aangenaam, fijn, goed, leuk, lustig, plezierig, prettig, senang

Tegenstellingen
akelig, onaangenaam