goed betekenis & definitie

goed - zelfstandig naamwoord

1. spullen of bezittingen
♢ de spoorwegen vervoeren allerlei goederen
1. gestolen goed gedijt niet
[wat je gestolen hebt brengt je ongeluk]
2. have en goed verliezen
[al zijn bezit]
3. onroerend goed
[bezittingen die niet van hun plaats kunnen, bijvoorbeeld huizen]
4. vrije goederen
[die je onbeperkt mag gebruiken, bijvoorbeeld lucht en zon]
5. een gevaarlijk goedje
[een gevaarlijke stof die je niet precies kunt benoemen]
2. weefsel gemaakt van draden
♢ het vuile goed moet in de was
3. wat in orde is, zoals het hoort
♢ ik ken het verschil wel tussen goed en kwaad
1. dat belooft niet veel goeds
[reactie op een ongunstig voorteken]
2. geen goed meer kunnen doen bij iemand
[helemaal bij hem uit de gunst zijn]
3. hou me ten goede
[verontschuldiging als je iets vervelends gaat zeggen]
4. ten goede komen aan iemand of iets
[gunstig zijn voor iemand of iets]
5. wie goed doet, goed ontmoet
[weldaden worden altijd beloond]

Algemene uitdrukkingen:
1. dit geld komt ten goede aan de kerk
[is voor de kerk]
2. hij doet zich te goed aan paling
[hij zit lekker te smullen van paling]
3. ik heb nog iets te goed
[ik moet nog iets krijgen]
Zelfstandig naamwoord: goed
het goed
de goederen
het goedje

Synoniemen
stof, textiel