Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

kamer

betekenis & definitie

kamer - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ka-mer

1. ruimte in gebouw, met vier muren, vloer en plafond
♢ het huis heeft drie kamers
1. hij woont op kamers
[op zichzelf, maar bij anderen in huis]
2. donkere kamer
[kamer om foto's in te ontwikkelen]
3. het kleinste kamertje
[de wc]
2. ruimte in het hart waar het bloed heel even in wordt opgeslagen
♢ het bloed wordt in van de linkerboezem via de hartklep naar de linkerkamer gepompt

Zelfstandig naamwoord: ka-mer
de kamer
de kamers
het kamertje

Synoniemen
vertrek