huis betekenis & definitie

huis - zelfstandig naamwoord

1. gebouw dat bedoeld is om in te wonen
wij wonen in een oud huis
1. huis van bewaring
[gevangenis]
2. het koninklijk huis
[de koninklijke familie]
3. een heilig huisje
[onderwerp waar je geen kritiek op mag hebben]
4. niet om over naar huis te schrijven
[niet erg goed]
5. van huis uit
[bij ons in het gezin]
6. nog verder van huis raken
[nog meer moeilijkheden krijgen]
7. heel wat in huis hebben
[heel veel kunnen]
8. ieder huisje heeft zijn kruisje
[elk gezin heeft zijn problemen]
9. zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen
[wie zuinig en vlijtig is kan heel wat bereiken]
10. het huisje bij het schuurtje laten
[niet meer uitgeven dan verantwoord is]
11. dat staat als een huis
[is heel zeker]
12. dan is het huis te klein
[dan gaat hij verschrikkelijk tekeer]
13. van goeden huize
[uit een deftige familie]
14. huis aan huis
[in alle woningen]
15. met de deur in huis vallen
[ergens meteen over beginnen]
16. dicht bij huis blijven
[niet te ver van het onderwerp afdwalen]
17. je huis moeten opeten
[de waarde van het huis moeten gebruiken voor je levensonderhoud]
18. iets in huis hebben
[in voorraad hebben]
19. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
[er moet toezicht zijn, anders gaat het niet goed]
20. ergens kind aan huis zijn
[er vaak komen]
21. veel in huis hebben
[veel kunnen]

Algemene uitdrukkingen:
1. van goeden huize komen
[van goede familie zijn]
2. het koninklijk huis
[de familie van de heersende koning of koningin]
Zelfstandig naamwoord: huis
het huis
de huizen
het huisje

Synoniemen
woning