Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

huid

betekenis & definitie

huid - zelfstandig naamwoord

1. buitenste laag van mensen en dieren
mijn huid is verbrand door de zon
1. hem op de huid zitten
[hem onder druk zetten]
2. een dikke huid hebben
[je niet snel beledigd voelen]
3. hem de huid vol schelden
[hem heel erg uitschelden]
4. het met huid en haar opeten
[helemaal]
5. bang voor zijn huid zijn
[voor zijn leven]
6. zijn huid duur verkopen
[zich tot het uiterste verdedigen]
7. in iemands huid kruipen
[je indenken dat je hem bent]
8. je moet de huid niet verkopen voor de beer geschoten is
[geen geld uitgeven voordat je het verdiend hebt]

Zelfstandig naamwoord: huid
de huid
de huiden
het huidje

Synoniemen
vel