Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

laag

betekenis & definitie

laag - bijvoeglijk naamwoord

1. dicht bij de grond
♢ voor de bank staat een lage tafel
1. je kunt hoog of laag springen
[om duidelijk te maken dat je niet zult toegeven]
2. zwaar en donker
♢ de lage tonen waren goed te horen
1. een toontje lager zingen
[minder praatjes hebben]
3. met een kleine waarde
♢ we krijgen lage temperaturen deze maand
1. iets op een laag pitje zetten
[het voorlopig laten rusten]
4. bedoeld om te benadelen of te kwellen
♢ het is een lage streek van hem ons zo te bedriegen
5. met minder aanzien, minder ontwikkeld
♢ insecten horen bij de lagere diersoorten
1. een lage dunk van iemand hebben
[weinig waardering]
2. van lagere orde
[minder belangrijk]

Algemene uitdrukkingen:
1. iets bij hoog en laag beweren
[blijven volhouden dat het zo is]
Bijvoeglijk naamwoord: laag
... is lager dan ...
het laagst
de/het lage ...
iets laags

Synoniemen
boos, boosaardig, gemeen, kwaadaardig, kwaadwillend, kwaadwillig, lelijk, min, minderwaardig, vals, vuil

Tegenstellingen
hoog, lief