Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Relativisme

betekenis & definitie

Als probleemindicator werd het trefwoord ‘relativisme’ pas ingevoerd rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw (König 1992, p. 613). De achterliggende vraag is echter ouder en vormt zeker één van de belangrijkste filosofische problemen. Hoe zeker - zo luidt de eenvoudigste formulering van de vraag - kunnen wij zijn dat hetgeen wij menen zich waarachtig en werkelijk zo verhoudt? Anders geformuleerd: welke geldigheidsaanspraken mogen wij voor onze theoretische en praktische inzichten claimen? Relativistische standpunten antwoorden hierop dat uitspraken slechts binnen een bepaald referentiekader aanspraak op geldigheid kunnen maken. Als referentiepunten komen verschillende instanties in aanmerking, waaronder het kennis- en handelingssubject, een taal, een levensvorm, een historische tijdvak of een wetenschappelijk paradigma.

Het begrip 'relativisme’ wordt dus gebruikt voor het aanduiden van een omvangrijke hoeveelheid filosofische standpunten die omvattende geldigheidsaanspraken van uitspraken of verklaringssystemen afwijzen en daaraan slechts een contextuele, dat wil zeggen relatieve geldigheid toeschrijven. In een gemeenschap waarin geen sprake is van concurrentie tussen religieuze, wereldbeschouwelijke of wetenschappelijke (wereld-) verklarende systemen, of van rivaliserende praktische oriëntatiesystemen, is het ontstaan van relativistische posities dus uitgesloten. Het samenspel van pluralisme en concurrentie is een noodzakelijke voorwaarde van het relativisme.

Historische ontwikkelingen
Een toegespitste variant van het relativisme is al te vinden in de school van Heraclitus. Daarin wordt het zijnde geïdentificeerd met het zintuiglijke, en omdat al het zintuiglijke aan verandering onderhevig is, zijn er volgens deze opvatting geen ware uitspraken over het zijnde te doen. Uitspraken zijn steeds relatief aan het tijdstip waarop ze worden gedaan en verliezen met de verandering van het zijnde hun geldigheid. Een markant voorvechter van deze opvatting is Cratylus, die volgens Aristoteles ‘uiteindelijk helemaal niets meer meende te mogen zeggen en alleen nog zijn vinger bewoog’ (Met. VI 5, lOlOalle.v.). Dit voorbeeld illustreert in hoeverre een relativisme dat door de onbestendigheid van de referentiepunten wordt geradicaliseerd consequent moet afzien van elk waarheidsbegrip.

Een gematigder en daardoor misschien invloedrijkere positie is bij Protagoras te vinden. Aan hem wordt de volgende uitspraak toegeschreven: ‘De mens is de maat van alle dingen, van de dingen die zijn wat ze zijn, van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn’ (Diels/ Kranz 1985, fragment BI). Hier presenteert het kennende subject zich als onveranderlijk referentiepunt, die als waarheidsinstantie kan gelden. Om de bewering van de relativiteit te poneren, moet Protagoras dus een beroep doen op een standpunt buiten elke relativiteit, dat wil zeggen dat het inzicht dat alles relatief is zelf geen relatieve status toekomt. Reeds Plato bekritiseert daarom de homo mensura-bewering met het argument dat zij met zichzelf in tegenspraak is, omdat zij op zichzelf toegepast de erkenning van haar tegendeel niet uitsluit (Theaetetus 17l.a). Dat neemt niet weg dat deze stelling in haar markante verdichting ook vandaag nog als paradigmatisch geldt voor alle vormen van het waarheidsrelativisme, en even vastberaden tegenstanders (Wedel 1990, p. 67e.v.) als voorstanders (Feyerabend 1989, p. 295) heeft.

In zijn Grondslagen van het scepticisme (I, 15) presenteert Sextus Empiricus een, vergeleken met de protagoreïsche versie, verfijnde variant van het relativisme. Het onderscheid tussen het zintuiglijke en het geestelijke, aldus vat hij de sceptische opvattingen samen, maakt het vermoeden van een afhankelijkheid van de waarnemings- of keninhoud van het zintuiglijke en van het geestelijke weliswaar voor de hand liggend, maar de stelling van de afhankelijkheid wordt door vier nadere tropen weer tenietgedaan. Er zijn namelijk - ten eerste - stellingen die met de stelling van afhankelijkheid conflicteren (tegenstelling). Ten tweede zou de fundering ervan een nadere fundering noodzakelijk maken die wederom nader dient te worden gefundeerd enzovoort (oneindige regressie). Bijgevolg zou - ten derde - de stelling alleen door een dogmatisch afbreken van het funderingsproces (vooronderstelling) of - ten vierde - door een circulaire funderingsfiguur (cirkelredenering) worden gerechtvaardigd. Wat vandaag vaart onder de vlag ‘Münchhausen-trilemma’ (Albert 1980, p. 13), is dus al door Sextus Empiricus aangevoerd om te bewijzen dat de bewering van de kennis- en waarnemingsrelativiteit geen stevig gefundeerde stelling kan zijn.

De opmaat van de discussie over het relativisme in de twintigste eeuw wordt gevormd door een resoluut anti-relativistische positie. Edmund Husserl wijst met betrekking tot logische feiten elk psychologisme - dus de opvatting dat de wetten van de logica in de psychische constitutie van de mens gefundeerd zijn - van de hand en diskwalificeert deze opvatting als ‘sceptisch relativisme’. Hij benadrukt dat de protagorelsche formule hier soortspecifiek wordt opgevat en zich derhalve als volgt laat herformuleren: ‘De maat van elke menselijke waarheid is [...] de mens als zodanig. Elk oordeel dat in het specifieke van de mens, in de hem constituerende wetten is geworteld, is - voor ons mensen-waar’ (Husserl 1975, § 34).

Van hieruit ontstaan relativistische tendensen. Wat Husserl nog als de eenheid van het zuivere bewustzijn presenteert, ontwikkelt zich later - mede door de invloed van zijn leer van de regionale ontologieën - in een veelheid van transcendentale constitutiehorizonten die op hun beurt als niet op elkaar betrokken, als naast elkaar bestaand worden gedacht. Al gaat hij wel degelijk uit van een overkoepelende beschouwingshorizon van waaruit zich het relativisme van het navolgende stadium laat vaststellen (Rombach 1988). Overeenkomstige overwegingen zijn ook in de taalanalytische filosofie te signaleren. Zo gaat bijvoorbeeld Quine (1969) uit van de principiële feilbaarheid van omzettingen in de taal. Ondanks het daarmee erkende taalrelativisme, dat vanwege de niet te doorvorsen taal-wereld-betrekking bovendien ontologische implicaties insluit, gaat Quine uit van een heimischen Gesamttheorie die zogezegd het laatste, zij het ook contingente oriëntatiepunt van elke vaststelling vormt.

Zowel in de fenomenologie als in de analytische filosofie komen dus relativistische standpunten voor, die als een combinatie van assertorische en sceptische varianten kunnen worden opgevat. Een waarnemingshorizon die aanvankelijk als absoluut wordt gesteld, maakt het mogelijk de relativiteit van de subhorizonten vast te stellen. Dat de waarnemingshorizon binnen een overkoepelende horizon wederom als relatief kan verschijnen, wordt evenwel principieel als mogelijkheid opengelaten.

Een soortgelijke ontwikkeling laat zich ook in de wetenschapstheoretische discussie observeren. Terwijl de vertegenwoordigers van het logisch positivisme en van het kritisch rationalisme een monistische wetenschapsopvatting vertegenwoordigen, winnen in de tweede helft van de twintigste eeuw standpunten terrein die tot relativisme neigen (Laudan 1996). Het meest bekend zijn de thesen van Kuhn (1970), die de paradigmagebondenheid van alle (reguliere) wetenschappelijke activiteit aanneemt en ervan uitgaat dat de wetenschapsontwikkeling niet geleidelijk is, maar revolutionair verloopt. Incommensurabele paradigma’s lossen elkaar af en laten geen objectieve vergelijking van hun probleemoplossend vermogen toe, terwijl over oplossingen alleen volgens de paradigma-interne innerlijke logica’s te beslissen is. Bij Feyerabend (1993) worden Kuhns aanzetten tot een ‘anarchistische kentheorie’ geradicaliseerd, zonder dat hij evenwel bereid is daaruit dezelfde consequenties te trekken als Cratylus.

Typologie van het relativisme
De poging de verschillende varianten van het relativisme te systematiseren, moet noodzakelijke selectief blijven. Een mogelijkheid is vormen van relativisme te onderscheiden overeenkomstig hun uiteenlopende geldigheidsaanspraken. Uitgaande van de vooronderstelling dat slechts twee klassen van taalhandelingen intersubjectief kritiseerbaar zijn - namelijk constaterende en regulerende taalhandelingen (Habermas 1981, Bd. 1, p. 435) - laten zich een (theoretisch) waarheidsrelativisme en een (praktisch) juistheidsrelativisme onderscheiden. Bij beide vormen moeten echter nadere differentiaties worden aangebracht. Zo presenteert Sankey (1997) vijf variaties van het door hem als ‘cognitief gekenschetste relativisme, namelijk rede, waarheids-, epistemologisch, ontologisch en categorieënrelativisme, en Strasser (1980) gelooft in het waarheidsbegrip een formele, een inhoudelijke en een contingentiedimensie te kunnen onderscheiden, die elk eigen vormen van waarheidsrelativisme met zich meebrengen. Hoe de differentiaties in detail ook mogen uitvallen, een beslissende tegenwerping tegen alle relativismestellingen is dat de geldigheidsaanspraak van de stelling ofwel zelf als absoluut wordt beschouwd, die echter tenminste één niet-relativistische uitspraak impliceert; of de spreker is bereid de stelling ook op zichzelf toe te passen, waarmee hij echter in een performatieve tegenspraak verstrikt raakt en daarmee uiteindelijk niets zou beweren. Een uitweg uit dit dilemma zou misschien door de implicatietheorie van Quine of van Rombach kunnen worden geboden, zij het dat deze theorie evenzeer een absolutisme vooronderstelt.

Ook met betrekking tot het praktisch relativisme laten zich diverse vormen onderscheiden waarover voor een deel een consensus lijkt te bestaan (Taylor 1978; Rippe 1993, pp. 209-222; Wolf en Schaber 1998, pp. 20-45). Onproblematisch is het descriptieve relativisme dat de diverse ethosvormen en moraalsystemen louter beschrijft. Het normatief-ethisch relativisme concludeert uit deze beschrijving dat de pluraliteit van moralen zelf moreel verplicht zou zijn, waaruit dan het - nu echter weer aanspraakmakend op universele geldigheid - tolerantiegebod wordt gededuceerd. Een andere variant van het praktisch relativisme is het meta-ethisch relativisme waarvan door de hoofdrichting uitsluitend de contextspecifieke, dat wil zeggen de niet universele fundeerbaarheid van morele principes en normen wordt gesteld. Een laatste, niet overal beschreven positie is tot slot het zogeheten conceptuele relativisme (Arrington 1989) dat ervan uitgaat dat de grammatica van de moraal een speelruimte opent waarin alleen maar moraliserend geageerd en geargumenteerd kan worden. Moraal zou zo altijd relatief zijn aan het morele taalspel. Daarbij wordt er uiteraard aan voorbijgegaan dat de moraal belast is met een regulerende functie binnen het totaal van de samenleving, en niet slechts een deel van de samenleving vormt.

Afgezien van het descriptieve relativisme, dat slechts feiten vaststelt, zijn alle overige vormen van het praktisch relativisme op tweeledige wijze te ontkrachten. Enerzijds is het bijna altijd mogelijk tegenspraken in de ‘fundering’ van het relativisme aan te tonen, ook als de universele funderingsaanspraak en de bestreden universaliteit van het object zich niet op een en hetzelfde niveau hoeven te bevinden. De tweede weg bestaat er eenvoudig in naar een of meer ethische aanzetten te verwijzen waarvan de universalistische fundering daadwerkelijk lijkt te zijn geslaagd. In de traditie van Kants ethiek zijn hiervoor veelbelovende aspiranten te vinden.

Ondanks deze tegenwerpingen tegen de meeste vormen van relativisme profiteren universalistische tegenposities desondanks van zijn bestaan. Als Ernest Gellner het relativisme rekent tot de filosofieën die afgemeten aan het schandaal dat ze oproepen een armzalig parasitair leven leiden (1985), kan toch ook voorzichtig worden geopperd dat universalistische ontwerpen af en toe evenzeer munt slaan uit de relativistische twijfels - en dat meestal niet in eigen nadeel.

Literatuur
Albert, H., Traktat über kritische Vernunft, Tübingen, 1980. Aristoteles, Metafysica (Met.), vertaald door B. Schomakers, Budel, 2005-2007.
Arrington, R. L., Rationalism, Realism and Relativism. Perspectives in Contemporary Moral and Epistemology, London, 1989.
Diels, H., Kranz, W., Die Fragmente der Vorsokratiker, Griechisch und Deutsch, Bd. 2., Zürich, 1985.
Feyerabend, R K., ‘Relativismus’ (2), in: H. Seiffert, G., Radnitzky, (Hrsg.), Handlexikon der Wissenschaftstheorie, München, 1989, pp. 292-296.
Feyerabend, R K., Against Method. Outline of an Anarchistic Theory of Knowledge, London, 1993.
Gellner, E., Relativism and the Social Sciences, Cambridge, 1985.
Habermas, J., Theorie des kommunikativen Handelns, 2 Bde., Frankfurt, 1981.
Husserl, E., Logische Untersuchungen. Erster Band: Prolegommena zur reinen Logik (1900), Husserliana, Bd. 18., Den Haag, 1975.
König, O., 'Relativismus’, in: J. Ritter, K. Gründer (Hrsg.), Historisches Wörterbuch der Philosophie, Darmstadt, 1992, pp. 613-622.
Kuhn, T. S., The Structure of Scientific Revolutions, Chicago, 1970 (1962).
Laudan, L., Beyond Positivism and Relativism. Theory, Method and Evidence, Boulder, Cumnor Hill, 1996.
Plato, ‘Theaetetus’, in: Verzameld werk, vertaald door X. de Win, Kapellen/Baarn, 1999, dl. 2.
Quine, WO. van., Word and Object, Cambridge/New York/ London, 1969 (1960).
Rippe, K-R, Ethischer Relativismus. Seine Grenzen, seine Geltung, Paderborn, 1993.
Rombach, H., Strukturontologie. Eine Phanomenologie der Freiheit, München, 1988 (1971).
Sankey, H., Rationality, Relativism and Incomensurability, Aldershot/Brookfield, 1997.
Sextus Empiricus, Grundriß der pyrrhonischen Skepsis, Frankfurt/M., 1968.
Strasser, P, Wirklichkeitskonstruktion und Rationalität. Ein Versucht über den Relativismus, München, 1980.
Taylor, P. W., ’Ein Überblick über den Relativismus in der Ethik’, in: R. Ginthers (Hrsg.), Relativismus in der Ethik, Düsseldorf, 1978, pp. 30-47.
Wendel, H. J., Moderner Relativismus. Zur Kritik antirealistischer Sichtweisen des Erkenntnisproblems, Tübingen, 1990.
Wolf, J-C., P Schaber, Analytische Moralphilosophie, München, 1998.

(C. Hübenthal)