Naad betekenis & definitie

1° (naaien) de verbinding van twee stofdeelen door middel van draad en naald, met de hand of machinaal. Het telkens op en neer halen van draad en naald door de stof doet steken ontstaan.

Een rij van deze steken vormt een naad. Men onderscheidt: een rijgnaad, waarvoor de draad afwisselend door boven- en onderkant van de stof wordt gehaald.

Een overhandsche naad, die de verbinding vormt tusschen twee deelen stof met zelfkant en die men maakt door de stof tusschen duim en wijsvinger bij elkaar te nemen en de randen door schuine steken te verbinden. Een zoom, die dient om het rafelen der stof tegen te gaan.

Men vouwt de stof langs den rand naar binnen, vouwt den rafelkant nog eens opnieuw naar binnen en bevestigt dan met schuine steken dezen rafelkant op de stof. Een rolzoom, dien men gebruikt voor fijne stofjes, waarin een uiterst fijn zoompje moet worden gelegd.

De stof wordt tusschen duim en wijsvinger omgerold, daarna werkt men als voor een zoom af. Platte naad: twee rafelkanten worden zoodanig op elkaar gelegd, dat de eene rand een weinig over den anderen rand heen steekt.

De randen moet men door stiksteken verbinden, den breeden rand scherp invouwen, over den smallen rand leggen en met stiksteken afwerken. Fransche naad: de rafelkanten aan de rechterzijde smal tegen elkaar stikken; de rafels scherp naar buiten omvouwen en langs de randen aan weerszijden opnieuw opstikken.

Engelsche naad: de rafelkanten op de rechterzijde van de stof tegen elkaar stikken, daarna aan den linkerkant de stof zoodanig op elkaar stikken, dat de rafelkanten precies tusschen dezen stiknaad komen te liggen.2° Ook in de heelkunde is naad de kunstmatige vereeniging van twee weefseldeelen door een draad, die met behulp van een naald eerst door het eene, vervolgens door een correspondeerend punt van het andere weefselstuk geleid wordt en dan geknoopt wordt (→ Knoop). Naar gelang van de diepte, waar gehecht wordt, en de dikte der weefseldeelen, die men hecht, gebruikt men min of meer gebogen naalden, al of niet met veerend oog en dikkere of dunnere naalden. De gebogen naalden worden door de weefsels geleid met behulp van een naaldvoerder, een tangvormig instrument, dat de naalden stevig pakt en vasthoudt. Als draad gebruikt men bij hechtingen, die in het lichaam achterblijven, bij voorkeur → catgut, dat in het lichaam geresorbeerd wordt. Aan de oppervlakte van het lichaam en in de diepte, als hooge eischen aan stevigheid gesteld worden, maakt men gebruik van zij, haar, touw, pees of metaal. Krekel.