Haag betekenis & definitie

Haag - Haag of heg, een omheining van levend gewas, in den regel één of twee maal per jaar met de heggeschaar in regelmatigen vorm geschoren, hetzij onder en boven even breed, hetzij, hetgeen dichter haag geeft, onder breeder. 1-3 m hooge h. dienen als terreinafscheiding; hoogere, veelal van zwarte els, gebruikt men als windkeering, lagere als tuinversiering. Men maakt verder h. in onze streken meest van meidoorn, haagbeuk, beuk, liguster, Spaansche aak e.d., wanneer zij niet, — van taxus, levensboom, hulst of van palmboompjes, wanneer zij wél altijd groen moeten zijn. Rietsema Den Haag → Gravenhage (’s).