Wat is de betekenis van Haag?

2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

haag

haag - Zelfstandignaamwoord 1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas 2. op een rij naast elkaar geplaatste personen of zaken haag - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hagen ♢ Ik haag 2. gebiedende wijs van hagen ...

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

haag

haag - zelfstandig naamwoord 1. omheining van struiken ♢ er zat een merel in de haag te broeden 1. een haag vormen [de mensen in een rij opstellen] Zelfstandig naamwoord: haag ...

Lees verder
2004
2022-11-27
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

haag

- achter de haag lopen, spijbelen.

1981
2022-11-27
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Haag

heg of struikgewas, b.v. in rozenhaag en hagedoorn; zie hondsroos en meidoorn. Meer algemeen betekende het vroeger bosgedeelte, zoals in vele plaatsnamen nog uitkomt: Princenhage, Den Haag. haagbeuk, zie beuken.

1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

haag

v./m. (hagen), 1. heg, heining van struikgewas ter bescherming of begrenzing van een stuk land: een dichte —; vaak in plaatsnamen: ‘s-Gravenhage, Prinsenhage; de kap over de — hangen, smijten, het kloosterleven, de geestelijke stand vaarwel zeggen; achter hagen en kanten, in het verborgene; 2. stuk land dat door een haag is omgeve...

Lees verder
1954
2022-11-27
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Haag

Bij de extensieve fruitt. gebruikte men vroeger algemeen meidoorn-h. als afscheiding van de percelen. Zij waren de bron van veel aantasting door insecten en men heeft daarom later hot gebruik hiervan ontraden. In de moderne fruitt. wordt het gebruik van h. echter weer aanbevolen, indien deze gevormd worden door gewassen die de wind kunnen keren. Me...

Lees verder
1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Haag

s., hage, haech.

1951
2022-11-27
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Haag

's-Gravenhage, Den Haag.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Haag

v. (hagen), 1. heg, heining tot bescherming of ompaling van een stuk land, bestaand uit geschoren kreupelhout of (doornig) struikgewas: een dichte haag; een doornen haag ; — vaak in plaatsnamen : Den Haag ; Prinsenhage; — zijn kap over de haag hangen, smijten, het kloosterleven, de geestelijke stand vaarwel z...

Lees verder
1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

haag

v. hagen (heg; heining van struikgewassen; Z.-N. dubbele rij vlasbundels; zie hagen): een doornen haag; zegsw. achter de haag lopen (Z.-N. ook: gaan), heimelijk de school verzuimen, gew.; zie kap.

1933
2022-11-27
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Haag

Haag - Haag of heg, een omheining van levend gewas, in den regel één of twee maal per jaar met de heggeschaar in regelmatigen vorm geschoren, hetzij onder en boven even breed, hetzij, hetgeen dichter haag geeft, onder breeder. 1-3 m hooge h. dienen als terreinafscheiding; hoogere, veelal van zwarte els, gebruikt men als windkeering, l...

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

haag

(ha:ch) v. (hagen; -je) I. Eig. heining van struikgewas: een dichte ; een van haagdoorn; de snoeien, scheren ; achter de — lopen, heimelijk de school verzuimen. → kap. Syn. heg, heining, hek, omtuining, schutting. II. Metf. 1. rij van gevormde bakstenen die te drogen staan. 2. rij van tegen elkander geplaatste vlasstengels die moete...

Lees verder
1916
2022-11-27
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Haag

Haag of heg, dicht aaneengeplante rij heesters of z.g. veeren, welke dient tot afsluiting van een tuin of tot heining langs een weg of terrein. De h. wordt tot een hoogte van 1 a 1.50 M. en een dikte van 0.20 a 0.40 M. gebracht en door snoeien en knippen (scheren) tot de gewenschte afmeting onderhouden. Ze worden meestal geplant van den haagdoorn o...

Lees verder
1911
2022-11-27
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Haag

schijnt oorspr. afsluiting te beteekenen; daarna de afsluiting (haag, heg) zelf. ’t Hgd. hegen bet. oorspr.: door een heg omgeven, daarna : verplegen, koesteren, vgl.: „Gelijck een aernt (arend) sijn ionge kiekens heegt en koestert”. Een afl. hiervan is hegening, thans heining. (Vgl. megid = meid ; pegel = peil.)

1908
2022-11-27
Vivat

Schrijver op Ensie

Haag

plaats in het oostenrijksche district Amstetten, Neder-Oostenrijk, aan de spoorlijn Weenen—Salzburg, in 1900 als gemeente 4051 inw.

1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Haag

HAAG, v. (hagen), heg, heining van struikgewas eene dichte haag; eene doornen haag; — zijne kap over de haag hangen, smijten, het kloosterleven, den geestelijken stand vaarwel zeggen; — (veroud.) hei roer in de haag steken, wegloopen, deserteeren; — (gew.) achter de haag loopen, (van leerlingen) heimelijk de school verzuimen, sp...

Lees verder
1870
2022-11-27
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Haag

(De), zie Gravenhage (‘s).

1869
2022-11-27
Geographisch

Geographisch-woordenboek

Haag

1) duitsche naam van ’s-Gravenhage. 2) marktvlek in den oostenrijkschen kreis Ob dem Wienerwald; 3200 inw. 3) marktvlek inden oostenr. Hausruck-kreis; 1300 inw. 4) marktvlek in den beierschen kreis Oberbaieru; 1000 inwoners; kasteel.

Lees verder
1864
2022-11-27
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Haag

Haag, v. (hagen), hegge; eene digte -; (spr.) het roer in de - steken, wegloopen, deserteren; den -, (verkorting van 's Gravenhage). *-, (fig.) rij. *-APPEL, m. (-s, -en). -BOOM, m. (-en). *-BES, v. (-sen). *-BEZIE, v. (...ën). *-BEUK, m. (-en), soort beukenboom. *-BOSCH, o. (...sschen), struik. *-DIS, v. zie HAGEDIS. *-DOORN, m. z...

Lees verder