Gaasbeek betekenis & definitie

Gaasbeek - gem. in de Belg. prov. Brabant, ten W. van Brussel; opp. 368 ha; ca. 350 inw.

Middeleeuwsch burchtslot, verbouwd en gerestaureerd in de 19e eeuw, thans Belg. staatsdomein en toegankelijk voor het publiek, evenals het boschpark, waarin bij een vroeger veel bezochte St. Geertruidebron een mooie Barokke kapel.In het dal beneden het kasteel staat het zgn. „huis van den baljuw”, een gerestaureerd middeleeuwsch bouwwerk.

Lit.: J. J. Vincx, Gaasbeek, Gesch. van het kasteel, de kerk en het dorp (1926).

Lindemans. Het kasteel herinnert nog aan de grootheid van het geslacht van dien naam; het herbergt een rijke verzameling tapijten, oud-meubilair en schilderijen van meesters uit de 16e en 17e eeuw. Het geslacht G. is eigenlijk dat van Abcoude, dat in de 14e e. Duurstede, later Putten en Strijen, ten slotte Gaasbeek verwierf. Z.O. Nedersticht scheen een Gaasbeeksche heerlijkheid. Aan de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten namen de heeren van G. actief deel. Aan het hof te Brussel stonden zij in hoog aanzien. Ca. 1400 bereikten zij het toppunt hunner macht. Er waren toen twee takken: die van Willem, heer van Abcoude en Duurstede, en die van Zweder, heer van Gaasbeek en Putten. Willem stierf in 1407 zonder mannelijk oir. Zijn dochter, met een Brederode gehuwd, was Dominicanes geworden, terwijl haar man Kartuizer werd. Wel had Willem 8 onwettige kinderen, onder wie Jan van Meerten, die voor zijn neef, Jacob van G., stadhouder van zijn Stichtsche leenen en schout van Wijk werd. Een andere bastaard was Jan v. Driebergen, stichter van het slot Lievendaal en vader van Jacob van Driebergen, kanunnik van St. Jan te Utrecht, wiens leven aan de studie gewijd was. In 1407 kwamen dus de goederen van Willem weer in bezit van Jacob van G., den zoon van Zweder, die in den strijd tegen Jacoba en Frederik van Blankenheim Abcoude en Duurstede verloor. Men noemde hem: prins van G. Hij was zoo driftig, dat hij zijn eigen zoon neersloeg, † 1459 of 1460.

Lit.: S. Muller Fzn., De Lievendalers, in Schetsen uit de Middeleeuwen (II); v. Eelde, Jacob van Driebergen, in Oud-Holland (1903).

W. Mulder S.J.