Wat is de betekenis van Oir?

1994
2021-06-13
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Oir

(uitspr.: oor) [via Fr. hoir van Lat. heres = erfgenaam] nageslacht, d.w.z. afstammelingen in de rechte linie.

1993
2021-06-13
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Oir

nageslacht

1950
2021-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Oir

(<Fr.), o., iemands afstammelingen in de rechte lijn ; vooral als rechtsterm: bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit de oudste zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir.

1937
2021-06-13
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Oir

Nakroost, nakomelingschap, de afstammelingen (fr. hoir). Onze Grondwet bepaalt: Bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit den oudsten zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir. Mannelijk oir nalaten. De oudste van het mannelijk oir.

Lees verder
1898
2021-06-13
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Oir

Oir o. iemands afstammelingen, zijn nakroost in de rechte lijn; als erfgenamen in zijne rechten tredende; vooral als rechtsterm: bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit den oudsten zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir; (in den hoogeren stijl) ook één afstammeling.