Wat is de betekenis van Oir?

2024-02-21
WhatsApp woordenboek

redactie Ensie (2023)

OIR

Operational Intelligence Roundtable

2024-02-21
Woordenboek vreemde woorden

A. Kolsteren en Ewoud Sanders (1994)

Oir

(uitspr.: oor) [via Fr. hoir van Lat. heres = erfgenaam] nageslacht, d.w.z. afstammelingen in de rechte linie.

2024-02-21
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks (1993)

Oir

nageslacht

2024-02-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Oir

(<Fr.), o., iemands afstammelingen in de rechte lijn ; vooral als rechtsterm: bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit de oudste zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir.

Wil je toegang tot alle 10 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-21
Spaans woordenboek (SP-NL)

Dr. C.F.A. van Dam (1948)

Oír

horen; aanhoren, ter harte nemen; nota nemen van; ¡oye! u ¡oíga(n)! foei!

2024-02-21
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

oir

o. (erfgenaam, nakroost); vero.; l. oor.

2024-02-21
Woordenboek voor praktische kennis

Dr. L.M. Metz (1937)

Oir

Nakroost, nakomelingschap, de afstammelingen (fr. hoir). Onze Grondwet bepaalt: Bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit den oudsten zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir. Mannelijk oir nalaten. De oudste van het mannelijk oir.

2024-02-21
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

oir

(o:r) o. IFr. < Lat. haeres, erfgenaam] nakroost in de rechte lijn : de graai overleed zonder mannelijk .Syn. zie afkomeling.

2024-02-21
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Oir

(mannelijk „oir”) uit ’t Fr. hoir (stomme h), van ’t Lat. kaerus = erfgenaam; bij ons ook: nakomeling; vgl. haerediteit = erfelijkheid.

2024-02-21
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Oir

Oir o. iemands afstammelingen, zijn nakroost in de rechte lijn; als erfgenamen in zijne rechten tredende; vooral als rechtsterm: bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit den oudsten zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir; (in den hoogeren stijl) ook één afstammeling.