Wat is de betekenis van Oir?

1994
2022-05-27
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Oir

(uitspr.: oor) [via Fr. hoir van Lat. heres = erfgenaam] nageslacht, d.w.z. afstammelingen in de rechte linie.

1993
2022-05-27
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Oir

nageslacht

1950
2022-05-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Oir

(<Fr.), o., iemands afstammelingen in de rechte lijn ; vooral als rechtsterm: bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit de oudste zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir.

1948
2022-05-27
Spaans

Spaans woordenboek (1948)

Oír

horen; aanhoren, ter harte nemen; nota nemen van; ¡oye! u ¡oíga(n)! foei!

1937
2022-05-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

oir

o. (erfgenaam, nakroost); vero.; l. oor.

1937
2022-05-27
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Oir

Nakroost, nakomelingschap, de afstammelingen (fr. hoir). Onze Grondwet bepaalt: Bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit den oudsten zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir. Mannelijk oir nalaten. De oudste van het mannelijk oir.

Lees verder
1898
2022-05-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Oir

Oir o. iemands afstammelingen, zijn nakroost in de rechte lijn; als erfgenamen in zijne rechten tredende; vooral als rechtsterm: bij ontstentenis van het mannelijk oir, uit den oudsten zoon gesproten, gaat de kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir; (in den hoogeren stijl) ook één afstammeling.