Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

Gepubliceerd op 02-01-2020

VOLMAAKTHEID

betekenis & definitie

is het geheel af-zijn van iets, zodat er geen gebrek of leemte aanwezig is. Ook de goede eigenschappen, die op een of andere wijze tot dat af-zijn bijdragen, noemt men volmaaktheden.

De toestand die met het woord volmaaktheid wordt aangeduid, is niet een onder geen enkel opzicht voortreffelijker meer kunnen zijn. Een dergelijk bezit van alle goede eigenschappen in de hoogste graad is de oneindige volmaaktheid, die alleen God toekomt.

Volmaaktheid zonder meer is alleen het bezit van datgene wat iets volgens zijn aard behoort te hebben. In die zin onderscheidt men een wezensvolmaaktheid, welke aanwezig is door het bezit van datgene waardoor iets van een bepaalde soort is (mens, leeuw enz.), en een doelvolmaaktheid, welke bestaat in het bezit van datgene waarop een bepaald wezen als doel is gericht.

De term wordt vooral gebruikt in de leer van het geestelijk leven en duidt dan op de godsdienstig-zedelijke volmaaktheid van de mens. Ook de H.

Schrift spreekt hierover meermalen (Matth. 19 : 20-21; 5 : 48; Phil. 3 : 15; Kol. 3 : 14). De mens is in deze zin eerst volstrekt volmaakt wanneer hij in het hemels Vaderland in het bezit van zijn einddoel is door de liefdevolle aanschouwing Gods.

Deze verschilt wel naar de maat van ieders genade en verdiensten, maar vervult toch ieders feitelijke mogelijkheden volkomen.Maar men spreekt ook van volmaaktheid in verband met de christen hier op aarde. Men kan dan bedoelen dat iemand volmaakt is in betrekking tot zijn verleden in dien zin dat hij alle gegeven genade benut heeft. Zo was Maria op elk ogenblik van haar leven volmaakt. Maar zolang de mens onderweg is naar het hemels vaderland, kan hij volmaakter worden. Zijn volmaaktheid is steeds betrekkelijk, een meer of minder benaderen van het ideaal. Zo spreekt men van beginnelingen, vorderenden en volmaakten en bedoelt dan met deze laatsten hen die een bijzondere standvastigheid in het goede verkregen hebben en daardoor in een phase van het geestelijk leven gekomen zijn die bijzondere kenmerken vertoont.

De christelijke volmaaktheid bestaat op een bijzondere wijze in de christelijke liefde die in de eerste plaats God, maar in en om God ook de mensen tot voorwerp heeft en die door St. Paulus „de band der volmaaktheid” wordt genoemd (Kol. 3 : 14; vgl. Matth. 22 : 37-40; Rom. 13 : 8; Gal. 5 : 14). Men is volmaakter naarmate men de liefde meer bezit en beoefent. Doch de volmaaktheid der liefde veronderstelt de volmaaktheid der andere goddelijke deugden als grondslag en die der zedelijke deugden als de factoren die de liefde bevrijden en haar alle krachten van de mens als soepele en vaardige instrumenten in handen geven. Daarom kan men zeggen dat de volmaaktheid van de Christen bestaat in het bezit van alle deugden en de beoefening daarvan.

De volmaaktheid en elke graad ervan is een genade, maar de groei in volmaaktheid vraagt ook de vrije inspanning van de mens, die zelf uit genade is. In deze medewerking is ook plaats voor het eigen initiatief, de plannen en de daardoor geleide inspanning van de mens. Op grond daarvan spreekt men ook van een streven naar de volmaaktheid. In het publieke leven der Kerk onderscheidt men twee standen van volmaaktheid, d.w.z. twee maatschappelijke groeperingen, waarvan de leden niet alleen bepaalde verplichtingen ten opzichte van de volmaaktheid hebben, maar door een echte dienstbaarheid er geheel en blijvend op geordend zijn. De eerste stand is die van de te beleven en mee te delen volmaaktheid. Tot deze stand behoren de bisschoppen vanwege hun officiële totale dienstbaarheid aan de volmaaktheid.

Door velen worden ook de priesters ertoe gerekend. De tweede stand is die van de te verwerven volmaaktheid. Tot deze stand behoren degenen die zich algeheel en onherroepelijk in dienst van de volmaaktheid hebben gesteld door zich blijvend te binden tot het aanwenden van de evangelische raden. A. v. R.