Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

Gepubliceerd op 02-01-2020

LEVEN

betekenis & definitie

De Heilige Schrift spreekt over leven en dood heel dikwijls op gewoon menselijke wijze. Daarnaast kent zij ook een theologische waardering van deze begrippen en het is deze die ons hier interesseert.

Het oude Israël zag het leven van de mens als afhankelijk van de gunst van Jahweh en bracht de zonde in verband met lichamelijke onvolkomenheid. Daarbij werden leven en dood gezien volgens een primitieve opvatting van de mens, waarin het lichamelijke aspect wezenlijk was voor de ontplooiing van alle activiteiten.

Het leven in de gunst van Jahweh kreeg daarom gestalte in zeer concrete vormen, zoals: lange duur, gezondheid, rijkdom, talrijk nageslacht, achting van de medemensen, maar dit alles gedragen door de innerlijke vreugde zich met Jahweh verbonden te weten. De dood was de ontkenning van alle positieve aspecten die kenmerkend waren voor het leven en volgde uit de zonde waardoor de mens zich aan Gods weldoende gunst onttrok.

De ontoereikendheid van de op deze opvatting gebaseerde vergeldingsleer en de toenemende verinnerlijking van de persoonlijke vroomheid leidden tot een eschatologisch georiënteerd begrip van het leven, dat voortaan werd gezien als het leven in Gods genade op aarde en in het hiernamaals, met de opstanding in het vooruitzicht. De onderlinge samenhang tussen de physieke, lichamelijke verwerkelijking van het leven en de godsdienstig-zedelijke houding van de mens ligt ook ten grondslag aan de nieuwtestamentische begrippen leven en dood.

Van hieruit wordt het heilswerk van Christus belicht als een dragen van de zonden der mensheid tot in de lichamelijke dood en als een herstel van het menselijke bestaan door de lichamelijke opstanding ten leven. Het leven van Christus behoort toe aan de eindtijd en draagt in zich zowel de gerichtheid op God als het volledige physieke herstel van de mens.

Het nieuwe leven van Christus is bepaald door de Heilige Geest waardoor het tot de bovennatuurlijke orde behoort. Tussen Christus’ opstanding en wederkomst deelt dit leven zich aan de gelovigen mee naar zijn inwendige zijde als gehoorzaamheid aan God en liefde tot de naaste om bij de opstanding het totale beeld van de opgestane Heer te dragen.

De opstanding der verdoemden wordt daarentegen nooit met het woord leven aangeduid, omdat het wezenlijke aspect van het leven, de verbondenheid met God, hier ontbreekt.In het christelijke spraakgebruik is de verbinding van leven en dood met de totale existentie van de mens tot op zekere hoogte verdrongen door de aandacht voor het lot van de ziel in de tussentoestand; wat betreft het leven van de gelovigen op aarde wordt in de uitdrukking „geestelijk leven” het verband met de Heilige Geest onvoldoende aangevoeld. De moderne theologie streeft er naar de oorspronkelijke waardering der termen in ere te herstellen. zie ook Dodenrijk.

— (ethisch). Om te bepalen hoe de mens zich ten opzichte van zijn eigen leven gedragen moet, moet men bedenken dat het een gave Gods is die, ook wanneer zij hem is toebedeeld, meer aan God dan aan hem zelf blijft toebehoren. Het is hem gegeven om er Gods bedoelingen mee te verwerkelijken, d.w.z. om het zo te besteden en te leven, dat hij zo goed mogelijk mens er door is. Dit betekent allereerst dat men zich niet eigenmachtig het leven mag benemen (zie Zelfmoord). Omdat goed leven echter niet hetzelfde is als zorgen zo lang mogelijk te leven, is het wel geoorloofd zijn leven te bekorten of de dood te verhaasten wanneer door de levenswijze die dit bewerkt (bijv. ongezonde arbeid, buitengewone werken van boete en versterving) zo’n groot belang wordt gediend dat het opweegt tegen' het kwade gevolg. Doch nooit mag men iets doen om zijn leven te bekorten. Soms spreekt .men van het leven bekorten of de dood verhaasten, wanneer men een dodende ingreep uitvoert op een moment waarop men weet dat men om andere redenen niet lang meer zal leven, doch in dit geval bedrijft men zonder meer zelfmoord (zie Euthanasie). Ook schiet men te kort in eerbied en zorg voor het leven, wanneer men het zonder voldoende reden in gevaar brengt. Zijn leven aan gevaar blootstellen is slechts geoorloofd wanneer het nodig is voor een belangrijk goed, dat van groter betekenis moet zijn naarmate het gevaar groter is. Men is ook verplicht de gewone middelen aan te wenden tot behoud van het leven. Een middel is buitengewoon en niet meer verplicht, wanneer het zo bezwaarlijk is, dat het peil van het leven (de levensvolmaaktheid of het levensgeluk) in ernstige mate er door vermindert.

Het leven is de mens gegeven ter wille van de vervulling van zijn persoonlijke opgave, waarvoor het het eerst noodzakelijke is. Niets is voor de mens zozeer „het zijne” als zijn leven, dat daarom door ieder geëerbiedigd moet worden. Niemand mag het behandelen als een middel voor iets of iemand anders (zie Doden). Het recht op het leven is een natuurlijk recht dat op geen enkele wijze aan staat of gemeenschap te danken is. Als strikt noodzakelijk voor de vervulling der persoonlijke opgave is het ook niet vervreemdbaar. Men kan er nooit geldig afstand van doen (zie Euthanasie).

Alleen door een (minstens objectief) misdadig gedrag kan men zichzelf in een situatie brengen waarin anderen het recht krijgen te doden (zie Doodstraf). A. V. R.