Wat is de betekenis van kijk?

2019
2022-05-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kijk

kijk - Zelfstandignaamwoord 1. manier van iets te beschouwen Hij heeft een heel andere kijk op deze zaken. kijk - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kijken ♢ Ik kijk 2. gebiedende wijs van kijken ...

Lees verder
2018
2022-05-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kijk

kijk - zelfstandig naamwoord 1. de manier waarop je ergens naar kijkt en erover oordeelt ♢ zijn kijk op de gebeurtenissen is nogal afwijkend 1. ergens een kijkje nemen [gaan kijken] ...

Lees verder
1998
2022-05-20
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Kijk

geen - geen gezicht. Jongerentaai, jaren tachtig. Vgl .geen porum(zi e ponum/ponem/po- rum).

Lees verder
1973
2022-05-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kijk

m. (g. mv.), 1. het kijken; wijze van kijken; 2. het waarnemen, m.n. met betrekking tot de conclusies die men trekt: zijn – op het leven; een eigen – op iets hebben, een eigen wijze van zien, inzicht, een eigen mening; hij heeft daar wel – op, kan dat (van tevoren) wel beoordelen, schatten; 3. gelegenheid om te kijken of te bekijk...

Lees verder
1950
2022-05-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kijk

m., g. mv., 1. het kijken ; — wijze van kijken; 2. het waarnemen, inz. met betr. tot de conclusies die men trekt: zijn kijk op het leven; een eigen kijk op iets hebben, een eigen wijze van zien, inzicht, een eigen mening ; — hij heeft daar wel kijk op, kan dat (van te voren) wel beoordelen, schatten ; kijk op de grond h...

Lees verder
1937
2022-05-20
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kijk

m. (1 een afzonderlijke handeling van kijken, een blik: a) eig. met het lichamelijk gezichtsorgaan, b) in fig. gebezigde uitdrukkingen; 2 verstandelijk of redelijk gezicht of inzicht; 3 een keer kijken eig. en fig. inz. in verkl. kijkje om te kennen te geven, dat het kijken maar even plaatsheeft, of om de handeling te karakterizeren als iets huisel...

Lees verder
1898
2022-05-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kijk

KIJK, m. het bezien iets te kijk zetten; -met iets te kijk loopen. om het te laten zien; — zijn kijk hebben, veel hebben om te bezien; — te kijk zitten, staan, zoodat men door iedereen gezien kan worden; — gezicht, zicht: kijk op den grond hebben, zien of hij waterpas ligt; — een eigen kijk op iets hebben, eene eigen wijz...

Lees verder