Geographisch- historisch woordenboek

Servaas de Bruin, D. Noothoven van Goor (1869)

Gepubliceerd op 21-10-2021

Alcuin

betekenis & definitie

of Alchuin, ook Albin (Flaccus Albinus Alcuinus), geleerde uit de 8e eeuw, geb. in Yorkshire 726 of 735, gest. 804, werd opgevoed door den eerwaardigen Beda. Hij was eenvoudig diaken der kerk te Vork, toen Karel de Groote, van zijne uitgebreide geleerdheid gehoord hebbende, hem naar Frankrijk riep (782), ten einde de kunsten en wetenschappen in zijn uitgestrekte rijk te doen herleven.

Onder de bescherming van dezen monarch stichtte A. verscheidene scholen te Parijs, Tours en Aken, en stond zelf aan het hoofd der zoogenaamde Palatijnsche school, welke in het paleis van den vorst gehouden werd, en waaraan eene bibliotheek verbonden was, alsmede eene soort van Académie, van welke Karel de Groote lid was. De keizer gebruikte hem in vele onderhandelingen, en begiftigde hem met verscheidene rijke abdijen. In 801 begaf hij zich als abt in de abdij St. Martin te Tours en stierf daar driejaren later, den 19 Mei. A. kende Latijn, Grieksch, Hebreeuwsch, en vereenigde in zich al de kennis van zijnen tijd; hij werd dan ook het heiligdom der vrije kunsten (liberalium artium sacrarium) genoemd. Zijne werken zijn door A. Duchesne bijeengebragt met eene levensbeschrijving van den schrijver (Parijs 1617 in f°.) en door den abbé Froben (Regensburg 1777, twee dln. in fo.). Men treft daarin aan eene Zamenspraak over de redekunst. De namen Flaccus Albinus, die A. had aangenomen, waren door hem, even als zijne collegaas aan de palatijnsche akademie zulks ook gedaan hadden, aan de oudheid ontleend.

< >