Aanappelen betekenis & definitie

met onverschillige willekeur te werk gaan

Op 29 januari 1955 verklaarde Karel Appel [geboren 1921] in een interview in Vrij Nederland: 'Ik schilder, ik rotzooi maar een beetje an. Ik leg het er tegenwoordig flink dik op, ik smijt de verf er met kwasten en plamuurmessen en blote handen tegenaan, ik gooi d'r soms hele potten tegelijk op.'

Carmiggelt herhaalde deze woorden drie dagen later in een Kronkel in Het Parool. 'Zeker is,' schreef L. Gans in juni 1963 in het Museumjournaal, 'dat hier het begin en zelfs het Leitmotiv van de sensationele verhalen over Karel Appel lagen.'

In de jaren daarna deed Appel er nog een schepje bovenop. Televisiekijkend Nederland kon de schilder in 1959 hangend aan een helikopter verfbussen zien leeggooien op een gigantisch doek. En in Jan Vrijmans filmdocumentaire De werkelijkheid van Karel Appel (1962) zag men Appel met woeste bewegingen kolossale doeken te lijf gaan, op en top 'een geweldenaar die verf driftig kneedt en knecht,' zoals Lucebert hem typeerde.

Het publiek was door dit alles 'bezeerd', aldus Endt (1982), en de uitdrukking 'Ik rotzooi maar wat an' kreeg vleugels. In het Bargoens ontstond het woord aanappelen, voor 'met onverschillige willekeur te werk gaan' of 'maar wat doen'.

Toch heeft Appels 'anrotzooien' volgens L. Gans slechts betrekking op het 'beginstadium van het ontstaansproces van een schilderij'. In de slotfase gaat de schilder veel nauwkeuriger te werk. 'De willekeurige kleurflarden worden geordend en krijgen onderlinge samenhang. Er gaat zich in de verfmassa een vorm aftekenen: het schilderij krijgt gestalte. De kleurnotities zijn door de schilder bedwongen'.

Het woord aanappelen raakte waarschijnlijk in onbruik nadat Appel in brede kring als kunstenaar werd erkend.

Andere woorden die zijn afgeleid van een schilder: apelles, een groot schilder, naar Apelles van Colophon [4de eeuw v.Chr.], de beroemdste schilder uit de oudheid. Al zijn werken gingen verloren, maar zijn repliek aan een schoenmaker, die nog meer aanmerkingen had nadat Apelles op zijn aanwijzing op een doek iets had veranderd aan het schoeisel, bleef bewaard in de uitdrukking: 'Schoenmaker, blijf bij je leest'; bambochade, schilderij dat een landelijk of ruw volkstafereel voorstelt, naar Bamboccio (Italiaans voor 'groteske pop'), schildersnaam van de 'gebochelde maar zeer geestige' Haarlemse kunstenaar Pieter van Laer [1592-1642], die van 1628 tot 1638 in Rome werkte en gespecialiseerd was in realistische volkstaferelen; echeveria, een geslacht van vetplanten, naar de 19de-eeuwse Mexicaanse plantenschilder Echeveri; holbeinwerk, fijn borduurwerk van kruissteekjes, aan voor- en achterzijde gelijk, naar de Duitse schilder Hans Holbein de Jonge [1497-1543] uit Augsburg, op wiens doeken dit soort borduurwerk veelvuldig voorkomt; makartboeket, boeket van gedroogde bloemen en grassen, naar de Oostenrijkse bloemenschilder Hans Makart [1840-1884]; Picassovissen, een groep trekkersvissen, vanwege hun fantastische kleurencombinaties door Werner Schroder, die in 1953 directeur werd van het Berlijnse aquarium, zo genoemd naar Pablo Ruiz Picasso [1881-1973]; rembrandtiek, met de kleur en lichteffecten die kenmerkend zijn voor de schilderijen van Rembrandt van Rijn [1606-1669]; Rubensfiguur, een vrouw met zeer weelderige vormen, zoals de Vlaamse schilder Peter Paul Rubens [1577-1640] ze graag schilderde; van dijck-kraag, een diep ingesneden puntkraag, die vaak voorkomt op doeken van de Antwerpse schilder Antonie van Dijck [1599-1641]; en zehneria, een plantengeslacht, naar de Weense bloemenschilder J. Zehner.

De hier en daar te vinden verklaringen dat barok zou zijn afgeleid van de Italiaanse schilder Federigo Barocci, chic van een leerling van David genaamd Chique, en gaga van Paul Gauguin, zijn onjuist.

Vergelijk albertduurtje