Gepubliceerd op 17-08-2018

gevallen vrouw

betekenis & definitie

Een ongehuwde vrouw of maagd; in de negentiende eeuw een eufemisme voor een vrouw die haar reputatie verspeeld had door seks te hebben met een andere dan de wettelijke partner, en vandaar ook een meer elegante term voor een prostituee. De uitdrukking komt reeds voor bij Nicolaas Beets (St. Uren. 1851). ‘Gevallen’ is hier metaforisch (vgl. Adams zondeval). Tegenwoordig is de uitdrukking, die eveneens voorkomt in het Engels (fallen woman), verouderd.

Gegrepen door haar verhaal bracht hij haar onder in ‘Beth-San’, een tehuis voor ‘gevallen vrouwen’ in de Warmoesstraat.

HP/De Tijd, 19-05-95

Jonge meisjes werden daar geronseld door ‘hoerenmadammen’ die als ‘eene tarantulaspin haar vergiftigd net’ om ‘die ongelukkige schepsels’ sloegen. Om hen op te vangen begon Heldring in Zetten een opvanghuis voor ‘gevallen vrouwen’, Asyl Steenbeek.

Martin Bossenbroek en Jan H. Kompagnie: Het mysterie van de verdwenen bordelen. Prostitutie in Nederland in de negentiende eeuw. 1998, webpagina

In de negentiende eeuw wakkerden abolitionistische dominees de openbare discussie over prostitutie aan. In hun ogen was het een vorm van slavernij en ontucht. De prostituee werd gezien als een gevallen vrouw, zedeloos en wellustig. Vooral vanuit socialistische kringen kwam er kritiek op dit standpunt. Prostitutie ontstond volgens hen uit armoede. Meisjes uit het arbeidersmilieu werden door de miserabele, maatschappelijke omstandigheden gedwongen de prostitutie in te gaan.

NRC Handelsblad, 15-10-99