Biologie betekenis & definitie

Wat is biologie?

Wanneer we woordelijk vertalen wat biologie is, dan zou deze naamsdefinitie moeten luiden: biologie is de leer, of beter de wetenschap, van het leven. Leer wil meestal zeggen een afgerond geheel van weten, wetenschap sluit meer in het groeiend en wordend deel van ons weten. Deze naamsdefinitie van biologie als wetenschap van het leven is echter niet juist, want datgene waarmee de biologen bezig zijn geeft geen antwoord op de vraag, wat het leven, of beter wat het wezenlijke van het leven, is. Er zijn wel definities gegeven van het leven, doch deze dekken niet al het wetenschappelijke onderzoek, waarmee biologen bezig zijn. Zo zijn er stromingen, die het wezenlijke van het leven hierin zien, dat het een historisch proces is (Ch. Darwin, E.

Haeckel), anderen zien het wezenlijke van het leven in de aanpassing (H. Spencer), weer anderen in de doel- of planmatigheid (von Uexküll). Welke van deze z.g. wezenlijke eigenschappen men ook neemt, er zullen altijd onderweten schappen van de biologie zijn, die zich daarmee niet bezig houden. Er zijn ook biologen die menen, dat wij het wezenlijke van het leven niet kennen, hoogstens aan het einde van al ons weten zullen kunnen benaderen (H. Driesch). Biologie is dus niet ‘de’ wetenschap van ‘het’ leven. En: wetenschap van ‘het’ ‘leven’ is dus niet hetzelfde als biologie.

Een aantal auteurs bewaart de term biologie—wij zouden liever zeggen biologie in engere zin, soms ook genoemd algemene biologie — voor die delen van de wetenschappen over planten en dieren die volgens hen wezenlijke kenmerken van het leven onderzoeken. Soms is dat heel primitief gedacht en vatten zij onder de wezenlijke kenmerken van het leven datgene wat alleen aan het levende organisme is te bestuderen en niet aan een dood organisme. Zo behoren dan fysiologie (wetenschap van de levensverrichtingen of functies) en psychologie (zielkunde) tot hun biologie in engere zin. Daartoe behoort niet de systematiek (de wetenschap der indeling van de planten enz. naar hun verwantschap) en de morfologie (vormleer). Naast deze nogal primitieve opvatting is er ook een meer doordachte. Deze is in hoge mate afhankelijk niet alleen van de auteur, maar ook van de periode waarin hij leefde.

Zo is er een tijd geweest, dat men meende het organisme te begrijpen als men de delen kende, en op die grond was de celleer het hoofdbestanddeel der algemene biologie. Later eisten andere auteurs deze rol op voor de erfelijkheidsleer, weer anderen voor de algemene fysiologie. Algemene biologie is dan ook wel datgene, wat planten en dieren aan wezenlijke kenmerken gemeenschappelijk bezitten, het wezenlijke van de ademhaling, van de erfelijkheid enz.

Wij zullen in de volgende bladzijden onder biologie verstaan het geheel van alle biologische onderwetenschappen, onverschillig of zij al of niet een z.g. ‘wezenlijk’kenmerk van het leven bestuderen. Dan is dus biologie hetzelfde als hetzelfde plantkunde en dierkunde samen. Eigenlijk moeten we naast de plantkunde en de dierkunde als derde noemen de protistologie, de wetenschap van de laagste organismen, waaronder er zijn die men niet duidelijk óf tot de planten óf tot de dieren kan rekenen.

Als men zich afvraagt of men nu biologie in de zin van het geheel van plant- en dierkunde mag definiëren als: biologie is de wetenschap van alle verschijnselen van het leven, dan moeten we daarop met neen antwoorden. Om historische en practische redenen vallen een aantal levensverschijnselen buiten de biologie.

Daartoe behoren de hoogste uitingen van het geestelijk leven van de mens (godsdienst, kunst, wetenschap). Deze waren van oudsher reeds aan andere wetenschappen toebedeeld. Biologie, zelfs in de ruimste zin, is slechts wetenschap van bepaalde verschijnselen van het leven. Ook nog op andere wijze was en is de biologie wel negatief bepaald. Dit hangt vnl. samen met het feit, dat de biologie een natuurwetenschap is en dat men op die grond wel bepaalde stromingen onder biologen buiten de deur heeft willen zetten, omdat zij niet natuurwetenschappelijk zouden zijn. Het spreekt vanzelf, dat daarbij de opvatting omtrent de grenzen en de vraagstellingen van de natuurwetenschappen van grote invloed was.

Deze varieert nogal met de tijd. Zo heeft men wel de mening verdedigd, dat de psychologie en de sociologie van dieren geen biologie zouden zijn; dit standpunt wordt echter alleen maar aanvaard voor de z.g. introspectieve psychologie en zeker niet meer voor de dierpsychologie in haar geheel. Er zijn ook wel eens auteurs geweest, die menen, dat het historische, en dus de afstamming, buiten de biologie als natuurwetenschap valt, doch zij vonden nauwelijks aanhang. Men heeft ook wel alles wat een waardeoordeel zou inhouden, zoals normaal en pathologisch (ziekelijk), als niet-natuurwetenschappelijk buiten de biologie willen plaatsen. Al deze pogingen om bepaalde vraagstellingen over planten en dieren buiten de biologie te zetten hebben op den duur niet veel succes, omdat de onderzoekende geest zich er toch mee bezig blijft houden. Mits zij maar streng wetenschappelijk worden aangepakt, is er niet het minste bezwaar ze tot de biologie te rekenen.

Deze ruime opvatting houdt verband met het feit dat de biologie geen wetenschap is van een bepaalde methode of van bepaalde eigenschappen van natuurlichamen, zoals de natuurkunde en de scheikunde, maar dat het de wetenschap is van bepaalde objecten, nl. planten en dieren, en dat alles, wat deze planten en dieren vertonen, voorwerp van wetenschappelijk onderzoek is. De resultaten van al zulk wetenschappelijk onderzoek mogen we tot de biologie rekenen, tenzij dit het terrein van onderzoek van een andere wetenschap is, welke historisch reeds haar eigen taak gekregen heeft.

Kunnen we nu ook positief zeggen wat er behoort tot het gebied van de plant- en dierkunde? Dat kan door na te gaan welke biologische wetenschappen er bestaan en te bepalen wat tot hun terrein behoort. Als wij dat zonder meer zouden doen, zouden wij een groot aantal biologische wetenschappen achter elkaar kunnen opnoemen, doch het zou tevens blijken, dat zij zich soms geheel of ten dele op hetzelfde terrein bewegen, ook al worden zij met verschillende namen aangegeven. Daarom is het veel juister om de vraag te beantwoorden aan de hand van een systeem van de biologische wetenschappen.

In het systeem van de biologische wetenschappen wordt het geheel van de biologie in de ruimste zin verdeeld over een aantal onderwetenschappen, zodanig dat alles daarin zijn plaats vindt, niets er buiten blijft en niets dubbel genoemd wordt. Er zijn vele systemen van de biologische wetenschappen ontworpen. Ze hebben alle een practische, een historische en een logische inslag. De practijk van instituten, tijdschriften e.d. (botanische, entomologische, hydrobiologische enz.) speelt altijd mede een rol, hoe gering die ook mag zijn. De tijdsperiode waarin het systeem wordt opgesteld, brengt o.a. mede, dat eerst later opgekomen wetenschappen er niet in genoemd worden en er ook meestal geen plaats voor is. Overigens zijn echter de systemen logisch. Naar welke logische principes heeft men nu een systeem der biologische wetenschappen opgesteld?

Men kan de biologische onderwetenschappen onderscheiden naar de verschillende levensverschijnselen en in principe voor elk levensverschijnsel één onderwetenschap onderscheiden. Zeer bekend is de opvatting, dat er in principe twee levensverschijnselen zouden zijn, nl. vormen functie en daarmede twee hoofdwetenschappen, nl. morfologie en fysiologie. Het is echter thans gebruikelijk, meer levensverschijnselen als gelijkwaardig te erkennen en wel naast vorm en functie ook nog erfelijkheid, variatie, verspreiding, ziekte enz. en dus naast de morfologie en de fysiologie te onderscheiden: erfelijkheidsleer, variatieleer, verspreidingsleer, ziekteleer enz.

Nu worden echter de gegevens van de vorm niet alleen verwerkt in de morfologie of vormleer, maar ook in de systematiek, variatieleer, erfelijkheidsleer, evolutieleer enz. Met andere woorden, andere factoren spelen nog een rol bij de indeling van de biologie in onderwetenschappen. Inderdaad worden naast de verschijnselen van het leven, welke wetenschappelijk verwerkt worden, bij het opstellen van een systeem der biologische wetenschappen ook de wijzen waarop zij verwerkt worden gebruikt, zoals de methoden, de ideeën e.d. Naar de methoden, dat zijn denkmethoden, heeft men binnen de biologie wel analytische tegenover synthetische wetenschappen te onderscheiden, doch in vrijwel elke gangbare onderwetenschap wordt zowel geanalyseerd als gesynthetiseerd, zodat het een weinig geschikt indelingsprincipe is. Meer gebruikelijk is de onderscheiding van experimentele naast niet-experimentele (z.g. beschrijvende) wetenschappen.

Vruchtbaarder is de onderscheiding van de biologische wetenschappen naar de ideeën. Onder ideeën moet men verstaan de vorm waarin de onderzoeker de uitkomsten van zijn onderzoek en zijn denken neergelegd of gegoten wil hebben. Het is datgene waardoor hij zich laat leiden, het is het doelwit van zijn denken. In een volgend hoofstuk zullen wij deze ideeën uitgebreider bespreken. Ik wil er hier slechts op wijzen, dat de systematiek geleid wordt door de idee van een ordening en wel naar de verwantschap, waarbij de onderzoeker geleid wordt door de gedachte van een beeld, een maatstaf, een type (typologische idee). Zo verwerkt de systematicus vormgegevens tot hij het type heeft vastgesteld.

Bij het onderzoek van de levensverschijnselen (voeding, ademhaling enz.) zal de onderzoeker vragen naar de oorzaken van de processen, hij zal de gegevens van de functies ordenen tot de oorzaak ervan is vastgelegd, waarbij hij geleid wordt door de causale idee. Dit geschiedt in de fysiologie. Men kan echter ook daarnaast, zonder een onderzoek te doen naar de oorzaken der processen, de verschillende typen van voeding, ademhaling enz. in een systeem ordenen; dan laat de fysioloog zich bij de ordening van de functies door de typologische idee leiden en niet door de causale. We zouden het aantal voorbeelden kunnen vermenigvuldigen. De lezer zal er vanzelf bij elk volgend hoofdstuk mee in aanraking komen.

In de meest bevredigende systemen van de biologische wetenschappen is als in elk natuurlijk systeem de ordening er een naar vele principes, dus zowel naar het levensverschijnsel, als naar de methode, als naar de idee.

Er zijn ook wel auteurs geweest, die op grond van een bepaalde definitie van het leven daaruit een systeem van de biologische wetenschappen hebben afgeleid. Dit zou het beste systeem zijn, indien we tenminste het leven zouden kunnen definiëren. Tenslotte heeft men zich ook wel afgevraagd (o.a. Tschulok), los van alle vooraf gegeven en van bovenaf toegepaste principes, met welke takken van wetenschappen binnen de biologie de biologen op het ogenblik bezig zijn, en deze onderwetenschappen van het ogenblik opgesomd en naar het bewerkte levensverschijnsel, naar methode en naarde leidende idee bepaald. Deze wegzuilen ook wij bewandelen. We mogen vooraf echter nog opmerken, dat een deel der onderwetenschappen zich bezig houdt met de reëel gegeven complexen van individuen; een ander deel (de onderwetenschappen van dit deel heten samen wel idiobiologie) met afzonderlijke individuen of delen van of deelprocessen in individuen.

C. J. VAN DER KLAAUW
L. von Bertalanffy, Theoretische Biologie, deel I, blz. 9-26, 1932.
H. Driesch, Die Biologie als selbständige Grundwissenschaft und das System der Biologie, 2de dr. 1911.
A. Meyer, Logik der Morphologie, blz. 21-86, 1926.
M. Pinkhof, De biologie als wetenschap (diss.), 1925.
S. Tschulok, Das System der Biologie, 1910.