Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Literatuur na de middeleeuwen

betekenis & definitie

Zou men de ontwikkeling van de Duitse letterkunde sinds de Middeleeuwen willen zien als een omvangrijk epos met stijgende spanning, dan lijdt het geen twijfel, dat daarvan hoogtepunt en afsluiting moet zijn het tijdsgewricht van omstreeks 1800 waarin de klove tussen verstand en fantasie, geloof en ethiek, dogma en intuïtie, wetenschap en dichtkunst, geest en gemoed vrijwel overbrugd scheen, waarin bovendien de twee grootste figuren er van, dank zij de in hen levende drijfkrachten van wetenschap en kunst, verdraagzaamheid en mensenliefde, van tegenvoeters in het artistieke en tegenstanders in het maatschappelijke tot bondgenoten en medestanders waren geworden, eensgezind in het streven, om door scheppende critiek en veredelende poëzie te bouwen aan het trotse monument van eeuwenoude D. woordkunst. Door natuurwetenschappelijk onderzoek en wijsgerig denken in heel W.

Europa voorbereid, door de ontwikkeling van de kunst der Oudheid, de dichterlijke uitbeelding in de meesterwerken van Dante en Petrarca, Calderon en Lope de Vega, Shakespeare en de Franse classieken geschraagd, ingeleid door Klopstock en Wieland, Lessing en Herder, gedragen door vorstelijke belangstelling en burgerlijk begrip, vonden Goethe en Schiller een podium voor hun woord, een gehoorzaal voor hun gedachten, een werelddebiet voor hun geschriften. Classicisme en Romantiek vloeiden ineen, wijsbegeerte en dichtkunst bevruchtten elkaar, het leven kreeg stijl en de kunst wijding.

Ons mensen van het midden van de 20ste eeuw lijkt dit een uiterste trap naar artistieke volmaaktheid of — en zo is het inderdaad geworden — een overgang tot verval, tot nieuwe conflicten en verzoeningen, tot heffingen en dalingen, die wisselen en dooreenwarrelen tot de huidige dag. Het verloop van de D. letterkunde büjkt geen epische compositie, maar een kroniek van menselijk streven en falen, van steeds in andere vormen terugkerende conflicten, met hun soms werkelijke, maar meestal schijnbare verzoeningen, een kroniek, waaruit schoonheid te puren is, maar niet als eindresultaat of vastgehouden doelwit, een lang verhaal, dat zonder het nuchtere schema van tijdsorde zou uitlopen op verwarring en teleurstelling.VREEMD EN EIGEN Zoals de letterkunde van de D. Middeleeuwen steunt op beschavingsinvloeden uit andere landen en op het inheemse kunstgevoel, lopen ook in de eeuwen, waarin de adel gaandeweg aan overwicht inboette, de steden mèt het geld en de macht ook de cultuur en de kunst aan zich dienstbaar maakten, deze beide factoren naast en dikwijls door elkaar. Tegenover het vreemde laat zich het eigene het duidelijkst in het licht stellen. Laat ons daarom uitgaan van de buitenlandse invloeden, die zich in deze eeuwen van verval en opkomst deden gelden.

In de omgeving van keizer Karel IV (1346-1378), die door de ‘Gouden Bul’ (1356) aan het D. rijk een soort grondwet gaf, laten de eerste humanistische invloeden zich aantonen: zijn kanselier Johann von Neumarkt wekte geestdrift voor Petrarca en vertaalde Augustinus. Uit zijn sfeer moet ook Johannes von Saaz afkomstig zijn, die omstreeks 1400 in zijn ‘Ackermann aus Böhmen’ het probleem van de dood, onder invloed van Petrarca maar in eigen coloriet en taal, behandelde./ Classieke en Italiaans-renaissancistische invloeden gaan hand in hand. Doordat deze vroege humanisten nog geheel in kerkelijk-middeleeuwse sfeer leefden, kwamen conflicten met de scholastiek nog niet voor. Ook het Humanisme in de Elzas van mannen als Jacob Wimpfeling, hervormer van het onderwijs, wegwijzer van vorstelijke plichten, prozaschrijver en dramaticus, als Sebastian Brant, vertaler van Petrarca, groot satiricus en moralist (Narrenschiff, 1494), die het Humanisme naar Bazel verplantte, als Peter Scholt en Thomas Wolff, bleef binnen de kerk, al begint hier het streven de theologie erin te betrekken. Door voeling met de natuurwetenschappen (Copernicus uit Thorn) en de medicijnen (Paracelsus uit Zwitserland), met het Platonisme (Reuchlin) en het Neoplatonisme (Agrippa von Nettesheim) volgde een geleidelijke losmaking uit het scholastieke verband. Er kwam een pansofische wereldbeschouwing op, waarvan de door de sage omsponnen figuur van de historische Faust als exponent kan worden beschouwd.

Nederlandse humanisten als de paedagoog Murmellius, de filosoof Rudolf Agricola, de wijze filoloog en theoloog Erasmus namen in dit Westeuropese humanisme leidende plaatsen in, hun gedachten werkten op Conrad Cellis, Peutinger en Gerbelius, op Pirkheimer en Ulrich von Hutten. Naast puntig proza in betogende geschriften, pamfletten en dialogen ligt de letterkundige winst ook in het op onderwijsdoelstellingen gerichte Latijnse drama. Gaandeweg mondde de oorspronkelijk tot de geleerde wereld beperkte beweging uit in de bredere golven slaande stroom van de Hervorming. Vooral Melanchton was hier een verbindende schakel. Maar ook elders is de onderlinge samenhang van beide stromingen merkbaar. Luthers bijbelvertaling, in 1517 begonnen en in 1534 voltooid, is in aanleg een humanistische onderneming, Luthers over de Vulgata heen op de Hebreeuwse en bijbel Griekse oerteksten steunend, maar die, de humanistische sfeer verbrekend, zich op het D. volk in heel zijn genuanceerde samenstelling richt. Daardoor wordt zij voor de D. letteren een monument van buitengewone betekenis. Eveneens met zijn theologische geschriften neemt Martin Luther in de literatuur een voorname plaats in. Naast zijn psalmberijmingen staan die van Paul Schede-Melissus en Ambrosius Lobwasser, naast zijn vrije lyriek het hervormingsgedicht van Hans Sachs, godsdienstige gezangen van Speratus, Philipp Nicolai, Paul Gerhard en de liederen uit het mede in ons land zo geliefde ‘Paradiesgartlein’ (1612) van Johann Arndt. Ook van katholieke zijde wekt de strijd een geestdrift, die bevruchtend op de letterkunde werkt: een polemisch geschrift als Murners ‘Von dem grossen Lutherischen Narren’ (1522) is van hoog literair gehalte. Doordat de liturgie in het Lat. werd gehouden, kreeg het D. katholieke kerklied, als dat van Witzel en Edinger, geen gelijkwaardige kans. Maar in de 17de eeuw staat de geestelijke lyriek van de dappere bestrijder van de heksenvervolgingen Friedrich Spee: ‘Trutznachtigall’ (1630) en de Silezische bekeerling Johann Scheffler (Angelus Silesius): ‘Cherubinischer Wandersmann’ (1657-1674) volkomen gelijkwaardig naast de protestantse.

Een tweede vloedgolf van antieke beïnvloeding overstroomde de D. letteren eveneens van Italië uit. Ook hier staat de naam van Petrarca aan de spits. Maar zij richtte zich van het begin af meer op de kunst, was meer een verschijnsel van Renaissance dan van Humanisme. Ze bereikte Duitsland ook niet van het Z. uit, maar van het W., langs een omweg, die over Frankrijk en het Pyrenese schiereiland met name over ons land leidde. Zij werd gedragen door eerbied voor de kunst en zeggingskracht van de Ouden, maar stelde zich ten doel, in eigen taal aan eigen volk een woordkunst te schenken van gelijke rang als de classieke. Dat had Petrarca gedaan. ‘Pétrarquiser’ werd de leuze, die Ronsard, leider van de Pléiade in Frankrijk, uitgaf. Vurig bepleitte du Bellay de rechten van de moedertaal in zijn ‘Défense et Illustration de la Langue Française’ (1549). Onder deze vlag behaalden Calderon en Lope de Vega in Spanje, Camóes in Portugal hun lauweren. Van Frankrijk sloeg de geestdrift naar ons land over. ‘Beoefen uw eigen taal’, leerde Spieghel, ‘en gij zult aan de Grieken en Romeinen gelijk worden.’ Van der Noot, Van Hout en Daniël Heinsius namen de leiding, de rederijkerskamers, met name de Amsterdamse kamer ‘De Eglantier’, stelden er zich voor open, Coornhert en Spieghel werden apostelen van de nieuwe leer. Hun ‘Twespraack van de Nederduytsche Letterkunst ’(1584) maakte er een doeltreffende propaganda voor. De splitsing in de Amsterdamse kamer van het jaar 1617, hoezeer ook persoonlijke geschillen daarbij van invloed waren, is, in groter verband gezien, gevolg van buitenlandse letterkundige groepsvormingen onder het nieuwe vaandel op de Ned. literatuur: Costers Academie was een taalgenootschap, als die in Italië en Frankrijk. Zij streefde naar de werkingssfeer van een volksuniversiteit en legde de grondslag voor de wereldvermaarde Amsterdamse Schouwburg, maar bereidde tevens in het Athenaeum Illustre de Amsterdamse universiteit voor. In deze kunst van classieken huize voor het volk bereikte de Ned. letterkunde in Bredero en Hooft, in Huygens en Vondel haar hoogtepunt, in Cats de vervulling van haar program.

Martin Opitz, de grondlegger van deze renaissancepoëzie in D., had te Leiden aan de voeten van Daniël Heinsius gezeten en hij liet niet na, bij zijn hervormingspogingen telkens weer hem de eer te geven, zoals Heinsius zich op Ronsard en deze zich op Petrarca had beroepen. Verwijzing naar de bron is waarborg voor echtheid en autoriteit.

Het D. wetboek voor deze nieuwe kunst was een klein geschriftje van Opitz’ hand: ‘Büchlein von der deutschen Poeterey’ (1624). Het wil de taal van vreemde woorden zuiveren, wil de versbouw hervormen door het versaccent van het woordaccent afhankelijk te maken, door bepaalde versvormen als de zesvoetige jambe met caesuur (alexandrijn), bepaalde strofenvormen als het sonnet, te lanceren. Het maakt een scheiding tussen het tragischvoorname treurspel en het plebejisch-boertige blijspel. Het baant de weg zowel voor de herderspoëzie als voor de opera. Opitz is vooral theoreticus. Zijn gedichten missen oorspronkelijkheid, behalve wellicht het aan smartelijke ervaringen ontleende ‘Trostgedicht in Widerwärtigkeiten des Kriegs’ (1621). Maar hij beheerste de conjunctuur. Zijn opera ‘Daphne’ (1627) opent een genre, dat door de componisten tot wereldvermaardheid werd gebracht, zijn arcadische roman vond nog tot in de 18de eeuw navolging.

Met Opitz begint in de D. literatuurgeschiedenis een nieuw tijdvak. Maar verschillende van zijn volgelingen overtroffen de meester in dichterlijk talent: Logau in zijn epigrammen, Fleming in zijn lyriek, Andreas Gryphius in zijn treurspelen. Deze laatste verraden de invloed van Gryphius’ verblijf in Amsterdam en zijn trouw bezoek aan de schouwburg; zij zijn in hoge mate afhankelijk van Vondel. Zijn blijspelen hebben niet alleen van de traditie, door Plautus en Terentius gevestigd, maar ook van de Engelse comedianten en daardoor middellijk, zij het ook onwetend, van Shakespeare geleerd; ook zij zijn zonder de Amsterdamse schouwburg niet denkbaar. Vondels ‘Leeuwendalers’ zijn verwerkt in het herdersspel ‘Die geliebte Dornrose’ (1660). Gryphius was ook lyrisch dichter: ‘Sonnund Feyertags-Sonnet’ (1660). Het kerkelijk lied vond in de door Opitz beheerste periode vlijtige beoefening: naast Nicolai en Gerhard, Spee en Scheffler, die reeds in ander verband werden genoemd, leven liederen van Heermann, Rinckart en Rist in gezangboeken tot op heden voort.

De structuur van de D. letteren in deze tijd wordt sterk bepaald door het genootschapswezen. Ook hier gaf Italië het voorbeeld, met name genoot de ‘Accademia della Crusca’ te Florence alom aanzien. Naar haar voorbeeld werd op D. bodem de ‘Fruchtbringende Gesellschaft’ in vorstelijke omgeving gesticht en door adellijke belangstelling gesteund. Het lidmaatschap ervan werd door dichters en letterkundigen als hoge eer beschouwd. Haar geschriften hebben ook op taal en spelling invloed uitgeoefend. Tegenover haar symbool, de exotische palmboom, plaatste de ‘Aufrichtige Tannengesellschaft’ te Straatsburg met burgerlijk zelfbewustzijn de inheemse naaldboom. Naar Ned. voorbeeld stichtte Philipp von Zesen te Hamburg zijn ‘Rosenzunft’ die, om na gebleken succes met een ‘Lilienzunft’, waarvan ook Vondel lid werd, een ‘Nelkenzunft’, een ‘Rautenzunft’ te kunnen worden uitgebreid, ‘Deutschgesinnte Genossenschaft’ werd genoemd. Ofschoon te Hamburg gedomicilieerd, werd de grondslag ervan in ons land gelegd. Ned. invloed blijkt ook in Zesens Amsterdamse roman ‘Die Adriatische Rosemund’ (1645), de beste onder de D. herdersromans door zijn voor die tijd inderdaad opmerkelijke psychologische analyse. Kort na Zesens taalgenootschap stichtten Klaj en Harsdörffer te Neurenberg de ‘Pegnesische Blumenorden’, die tot in onze eeuw bestond, Rist te Lübeck de ‘Elbschwanenorden’.

De D. renaissance-literatuur heeft niet, als in Italië en Frankrijk, Spanje, Portugal en Ned., kunstwerken voortgebracht, die brandpunten van geestelijke uitstraling zijn gebleven. Dat komt in D. eerst anderhalve eeuw later. De volgelingen van Opitz waren als hij toch te middelmatig om blijvende waarden te scheppen; ook waren de staatkundige verhoudingen in het geteisterde D. rijk te ongunstig. Sociologisch is het daarom des te opmerkelijker, dat naast de humanistisch en renaissancistisch gekleurde bovenstroming van de 16de en de 17de eeuw een volkskunst bleef voortleven, die in de 16de eeuw in Hans Sachs een algemeen bekend, in de 17de eeuw een eerst gaandeweg ontsluierd hoogtepunt heeft aan te wijzen.

Maar ook de mode-literatuur van de 17de eeuw bleef niet zonder invloed. Vooral het genootschapswezen heeft in democratische zin gewerkt. De scheiding tussen vorsten, edellieden en burgers vervaagde in het gevoel van letterkundige saamhorigheid. In brede kringen, ook onder vrouwen, werd belangstelling gewekt. De taal won aan uitdrukkingsvermogen en zuiverheid. Het bewustzijn van verbondenheid met andere landen, dat in de M.E. aan adel en geestelijkheid was eigen geweest, werd nu op de burgers overgedragen. Men leerde van elkaar en had een gemeenschappelijk ideaal. Voor deze geest van internationale saamhorigheid in het teken van letterkundige kunst is het prentje karakteristiek, waarmede de invloed van het vreemde op het eigene in deze behandeling moge worden afgesloten. Men vindt het hierboven. Het is ontleend aan een verder onbelangrijk en hoogst zeldzaam boekje van de stichter van de ‘Elbschwanenorden’ dominee Johann Rist, waarvan de titel ‘Des edlen Daphnis aus Cimbrien Besungene Florabella’ (1656) in verkorte vorm boven de titelgravure staat. De edele Daphnis uit Cimbria is Johann Rist uit Holstein. Als jonge man in modieus gewaad wordt hij door de grootmeester van de renaissance-literatuur Martin Opitz naar de zangberg geleid, waar Apollo, eveneens a la mode aangedaan, de lier tokkelt. Een illuster gezelschap staat gereed om de nieuweling te ontvangen: we ontwaren rechts op het plaatje de voorman van de Franse Pléiade Pierre Ronsard en de Spanjaard Carpio, bekender als Lope de Vega. Links staan drie gestalten: het algemeen bewonderde voorbeeld van de poëzie van die dagen Petrarca tussen de populaire Cats en de grote Vondel. Twee van onze landgenoten representatief voor de Helicon, Vondel aan de rechterhand van Apollo zelve: sprekender laat zich de overwegende invloed van de jonge Ned. republiek op deze letterkundige stroming moeilijk voorstellen.

VAN EIGEN BODEM Natuurlijk heeft het D. volk door de eeuwen heen ook een dichtkunst gekend, die uit zijn midden opbloeide en waaraan buitenlandse invloeden, al zijn ze in geen enkele literatuur op enig punt volledig buiten te sluiten, niet of nauwelijks te herkennen zijn. Hier is in de eerste plaats het volkslied te noemen.

Onder allerlei standen ontstonden er volksliederen, bij soldaten en ambachtslieden, bij boeren en studenten en ook naar aanleiding van allerlei stemmingen, in het voorjaar en de winter, bij het trekken door de vrije natuur en bij het spinnen binnenskamers, bij godsdienstige bijeenkomsten en vrolijke drinkgelagen, in liefde en smart. Veel ging er in de loop der eeuwen verloren, maar de boekdrukkunst hielp om ze vast te leggen. Sinds 1512 lopen de verzamelingen. Het oudste historische volkslied in de Duitse taal heeft al betrekking op de veldslag bij Sempach in 1386.

Humanisme en Renaissance waren voor het volkslied niet gunstig, ook het Rationalisme had er alleen maar verachting voor. Eerst de genie-periode tegen het einde van de 18de eeuw voelde er de culturele en poëtische waarde van. Herder wekte met zijn ‘Stimmen der Völker in Liedern’ (1778) belangstelling en studie. De lyriek van Goethe is zonder deze bezielende invloed niet denkbaar. De Romantiek deelde zijn bewondering en zette zowel verzameling als onderzoek voort. Het grote driedelige werk van Arnim en Brentano ‘Des Knaben Wunderhorn’ (1806-1808) werd zowel voor de ontwikkeling van de D. muziek als van de lyrische poëzie van overheersende betekenis. Onderzoekers als Von der Hagen en Görres, Uhland, Simrock en Hojfmann von Fallersleben legden de grondslag voor een wetenschap, die haar eigen methoden, theorieën en resultaten heeft.

Naast het volkslied ontwikkelde zich het volksboek, zij het ook uit minder diepe bron. Het dankt zijn ontstaan in hoofdzaak aan de uitvinding van de boekdrukkunst. Oude sagen, zowel van vreemde volksboek als inheemse oorsprong, historische gebeurtenissen, op de verbeelding werkende personen vonden een op volksvermaak afgestemde behandeling en een door de drukpers mogelijk gemaakte goedkope verspreiding: ‘Melusine’ en ‘Magelone’, ‘Dietrich von Bern’ en ‘Tristan und Isolde’, ‘Eulenspiegel’ en ‘Dokter Faust’ en tal van andere op hetzelfde niveau liggende stoffen werden daardoor gemeengoed van het D. geestesleven, werden bronnen voor scheppende kunstenaars als Goethe en Tieck, Uhland en Wagner, aanleiding voor onderzoekingen van Görres en Schwab, Marbach en Simrock.

Ook het volksdrama is volgens de nieuwste inzichten in wezen autochthone kunst. Germaanse vertoningen bij de eredienst versmolten met mysteriespelen van christelijken huize en carnavalsgrappen als uitingen van volkshumor. Oude paasspelen, waarin het algemeen verstaanbare Duits allengs het Lat. verdrong, zijn uit Zwitserland (Muri), Midden-D. (Wolfenbüttel) en Mecklenburg (Redentin), oude passiespelen uit Beieren, Tirol en Bohemen, oude kerstspelen uit Hessen (Friedberg) en het overige Midden-D., maar vooral uit Z.D. en Tirol (Sterzing) bewaard. Sommige hebben zich in een eeuwenoude traditie gehandhaafd, andere zijn opnieuw tot leven gewekt. Vastenavondspelen zijn vanouds in Augsburg, Bamberg en Neurenberg (Folz, Rosenplüt) gelocaliseerd. Vooral door Hans Sachs zijn ze van letterkundige betekenis geworden. Goethe heeft er al plezier in gehad. Hij was het, die de dichter opnieuw onder de aandacht bracht en op zijn blijvende betekenis wees: ‘Hans Sachsens poëtische Sendung’ (1776).

De Neurenbergse dichter stond nog in een andere traditie dan die van vastenavondspelen. Collectieve beoefening van de verskunst, met onze rederijkerskamers veelszins te vergelijken, was, voor zover wij weten, van Mainz uitgegaan (Frauenlob) en had zich over geheel Z.D. uitgebreid met bepaalde centra in Neurenberg en Augsburg, Freiburg en Ulm. Ook in de Elzas (Colmar) bloeide deze kunst. Haar betekenis ligt meer in het culturele dan in het kunstzinnige. Zij heeft aanleiding gegeven tot een meesterlijk muzikaal blijspel: ‘Die Meistersinger von Nürnberg' (1845-1863) van Richard Wagner.

Wanneer tenslotte over de D. volksroman gesproken wordt, dient men niet uit het oog te verliezen, dat hij, zoals ook de naam aanduidt, van Romaanse herkomst is. Maar hij heeft zich, zoals trouwens in alle Europese landen, tot een eigen genre ontwikkeld. In D. hebben vrijwel alle bovengeschetste invloeden er in meerdere of mindere mate op ingewerkt. Humanisme en Renaissance brachten al vroeg van Petrarca de Griseldissage en van Boccaccio de bonte verscheidenheid van zijn ‘Decamerone’, uit Spanje kwamen via Frankrijk de Amadisverhalen en de schelmenromans, uit Spanje kwam ook de parodistische ‘Don Qiiijote’, uit alle Romaanse landen vond de herderspoëzie haar weg naar D., om zich vooral in de roman thuis te voelen. Al deze zuidelijke stromingen vloeiden samen met de inheemse, zij het ook sterk door Frankrijk gestimuleerde volksboeken en gaven vermengingen, waarin het vreemde zich niet altijd meer van het eigene laat onderscheiden. Boccaccio was stellig peet bij de vele anecdotenverzamelingen uit de 16de eeuw, als die van Pauli en Wickram. Fischart, die ook in ons land geweest is en Marnix van St Aldegonde vertaald heeft, gaf een vrije bewerking van Rabelais’ ‘Gargantua’ (1582) en maakte daarmee de weg vrij voor de satirische roman van Grimmelshausen in de 17de, Wieland in de 18de en Jean Paul in de 19de eeuw.

Aan de spits van de Duitse romankunst voor Wieland en Goethe staat omnium consensu Johann Jacob Christoph von Grimmelshausen met zijn ‘Simplicissimus’ (1669). Het boek is in zijn oorspronkelijke, eerst in onze dagen weer tot zijn recht gekomen, zuivere vorm minder een schelmenroman waarvoor het veelal nog doorgaat, zelfs niet in de eerste plaats avonturenroman, ^ . , maar ontwikkelingsroman. Niet zonder reden , heeft men het een plaats gegeven tussen de ‘Parzival’ van Wolfram von Eschenbach en de ‘Wilhelm Meister’ van Goethe. Het heeft een eigen genre gevormd, de ‘simpliciade’, en richt zich tegen de modepoëzie, zowel in de galante heldenals in de Amadisroman. Grimmelshausen had van Hans Sachs en Fischart, van anecdotenverzamelingen en volksboeken, van een moralist als Aegidius Albertinus en een satiricus als Johann Michael Moscherosch geleerd, maar ontleende in hoofdzaak zijn kracht aan eigen aanschouwing van de trieste werkelijkheid om zich heen. Sinds lang en met recht geldt de ‘Simplicissimus’ als de volmaaktste uitbeelding van de toestanden tijdens de dertigjarige oorlog. Geen wonder: de schrijver heeft er zelf, eerst als musketier, later als regimentssecretaris aan deel genomen. Maar ook de verwildering van zeden in de na-oorlogse tijd vond in hem een voortreffelijk auteur (Das Wunderbarliche Vogelnest, 1670). De schrijver, die een man van grootse allure moet zijn geweest, had een opmerkelijke belangstelling voor de Zeven Provinciën. Uit de journalen van de ‘Tweede Schipvaart’ (1598-1601) putte hij de stof vooreen ‘Continuato’ (1669), aangehangen aan zijn hoofdwerk, maar eigenlijk een robinsonade avant la lettre. De naam van de auteur raakte in de loop der jaren zoek, maar zijn werk had de aandacht van Gottsched en Lessing, van Goethe en vooral van de Romantiek. Eerst in de 19de en 20ste eeuw werden werk en naam herenigd en werd ook de souvereine waarde van zijn zo sterk persoonlijke kunst ontdekt. Een Zwitsers onderzoeker plaatste hem naast Shakespeare.

Grimmelshausen nam ook deel aan de modepoëzie van zijn tijd, zij het ook met de uitdrukkelijke bedoeling het ethos ervan te verhogen. Hij schreef een paar hoofse romans, die echter niet het peil van zijn volksromans bereiken. Daardoor heeft hij evenwel een bescheiden aandeel aan de eigenlijke barokliteratuur met haar vorstelijke weelde en wereldse pracht tegenover bittere armoede en onzekerheid van bestaan, haar lichtzinnige levensuitbuiting tegenover de sombere vrees voor ondergang van het aardse en helse vergelding, haar personalistisch zelfbewustzijn in sommige enkelingen tegenover het stompzinnigste collectivisme van brede scharen. Deze eigenlijke barokliteratuur bloeide in literaire figuren als Christian Hofmann von Hofmannswaldau en Caspar von Lohenstein, Anton Ulrich von Braunschweig en Heinrich Anselm von Ziegler. Zij beheerste ook nog de literaire smaak in de 18de eeuw, tot langzamerhand de rede terrein won ten koste van de fantasie en de meer en meer hol geworden kunst van de Barok overging in de aanvankelijk nuchtere literatuur van de Verlichting.

FRANKRIJK OF ENGELAND?

Het verloop van de D. letteren is als een reusachtige stroom met bijvloeden uit Italië en Frankrijk, uit Nederland en Spanje in de eeuwen van Humanisme, van Renaissance, van Barok. Eerst later komt Engeland opzetten met een rijke voedingsrivier. Dit verschijnsel geeft aan de 18de eeuw haar karakter. Wel was er al eerder een ondergrondse toevoer, waardoor het toneelwerk van Shakespeare in comedianten-voorstellingen het vasteland bereikte, maar deze Engelse comedianten, die over ons land naar D. trokken, lieten de geest van deze grootste onder alle moderne dichters allerminst tot zijn recht komen. Het zou nog jaren duren, aleer het D. geestesleven daarvoor rijp was. Een Engels dichter van een halve eeuw later, John Milton, schrijvers zelfs, die een eeuw of meer na hem geboren werden, als Pope, Lillo en Thomson, deden zich literair nog eerder gelden.

Deze verschillende Engelse factoren vermengen zich met die van het Rationalisme, zoals het in verschillende Franse en Engelse filosofen, met name Descartes, is belichaamd, vooral in de systematiek van Leibniz en Christian Wolff. Ook de invloed van Spinoza neemt gaandeweg toe.

Overheersend is evenwel voorlopig een literaire stroming, die eveneens uit Frankrijk komt, maar ontsproten is aan dezelfde bron, die over ons land heen het werk van Opitz en zijn volgelingen had gevoed. Deze renaissancistische letterkunde had in Frankrijk tot een bloei geleid, die met enkele namen als Corneille en Racine, Molière en Boileau is te kenschetsen. De inwerking hiervan beheerst de eerste helft van de 18de eeuw in de D. letteren.

Johann Christoph Gottsched, in het wijsgerige volgeling van Leibniz en Wolff, stelde zich ten doel, in het letterkundige door navolging van het voorbeeld en de theorie van Corneille voor D. een nieuwe periode in te leiden. Dat is hem gelukt. Hij en zijn eveneens geletterde vrouw Luise Kulmus hebben door hun vertalingen uit het Frans en daarop geïnspireerde toneelstukken, gesteund door het voortreffelijke toneelspel van Friederike Caroline Neuber en haar troep, de schouwburg in Fr. geest hervormd, aan de bombast van het treurspel en de platheid van het blijspel een einde gemaakt. Gottsched en de zijnen hebben een invloed ten goede uitgeoefend, zij het ook met een eenzijdigheid, die tot verzet moest prikkelen.

Zijn eerste tegenstanders waren Bodmer en Breitinger. Tegenover Gottscheds theorie van de woordkunst als een doceer- en leerbare techniek legden de Zwitsers de volle nadruk op natuurlijke aanleg, op vruchtbare fantasie tegenover de rede, op het ‘Wunderbare’. Tegenover Gottscheds veneratie van het Fr. classicisme stelden zij hun verering voor Milton, Ariosto en Tasso, trachtten zij het ‘Nibelungenlied’ en de liederen van de ‘Minnesinger’ ingang te doen vinden. De strijd, waarin zich aanhangers van beide zijden mengden, eindigde met Gottscheds nederlaag, vooral doordat de ‘Bremer Beiträger’, medewerkers aan een nieuw te Bremen verschijnend tijdschrift, in de kringen van de burgerij een bepaald succes vonden en de schaal naar Engelse zijde deden overslaan. Klopstocks ‘Messias’, waarvan de eerste drie gezangen in het jonge tijdschrift (17481 verschenen, bezegelde als kunstwerk de overwinning van de nieuwe richting, die van de fantasie tegenover het verstand, Milton tegenover Corneille, verinnigd geloof tegenover verstandelijke verlichting. Het pleit was in feite al beslist, toen Lessing in 1759 zijn indrukwekkende zeventiende ‘Literaturbrief’ met de woorden inzette: ‘Niemand, zeggen de schrijvers van de ‘Bibliothek der schonen Wissenschaften und der freien Künste’, zal ontkennen, dat het Duitse toneel een groot deel van zijn eerste verbetering aan professor Gottsched heeft te danken.’ Verrassend gaat hij door: ‘Ik ben deze niemand; ik ontken het ten stelligste. Het ware te wensen, dat de heer Gottsched zich nimmer met het toneel had ingelaten. Zijn verTabel van de invloed van Shakespeare Opvoeringen van Engelse comedianten, waardoor stoffen en motieven in handen komen van Andreas Gryphius, Kongehl en Christian Weise . . . omstr. 1630 Eerste vermelding van de naam in verhas- pelde vorm bij Bodmer .... 1740 Fragmentarische vertaling uit de ‘Julius Caesar’ door de Pruisische gezant te Londen Caspar von Borck . . . 1741 Waarschuwing door Gottsched en aanbeveling door Johann Elias Schlegel . 1742 Propaganda door Lessing in ‘Literaturbriefe’ 1759 * Vertalingen in proza door Wieland . . 1762 e.v.

Waarderende bespreking door Gerstenberg 1766 Belangrijke critische beschouwingen door Lessing in ‘Hamburgische Dramaturgie’ 1767 e.v.

Geestdriftige begroeting door Goethe in ‘Rede zu Shakespeares Tag’ . . . 1771 Invloed op Goethes ‘Götz von Berlichingen’, ‘Faust’, ‘Werther’, enz., op Lenz, Klinger, Maler Müller, Heinrich Leopold Wagner e.a 1771 e.v.

Karakterisering door Herder . . . 1773 Verbeterde vertalingen in proza door Eschenburg 1775 e.v.

Opvoering van ‘Hamlet’ door Friedrich Ludwig Schröder te Hamburg . . 1776 Verwerking van het Hamlet-probleem en de Hamlet-opvoering door Goethe in ‘Wilhelm Meisters Theatralische Sendung’ 1777 e.v.

Invloed op Schiller: ‘Die Räuber’, ‘Fiesko’, ‘Kabale und Liebe’, ‘Don Carlos’ enz. 1781 e.v.

Vertalingen in blanke verzen in de standaard-vertaling van Schlegel en Tieck; behandeling van ‘Hamlet’ in Goethes ‘Wilhelm Meisters Lehrjahre’; invloed op de Romantiek, vooral Tieck, August Wilhelm en Friedrich Schlegel, Arnim, Brentano, E. T. A. Hoffmann, op Kleist e.a 1795 e.v.

Critische begrenzing door Goethe in ‘Shakespeare und kein Ende’ . . . 1813 Invloed op Grillparzer en Hebbel, Grabbe en Otto Ludwig, Gerhart Hauptmann enz., vertalingen door Dingelstedt en Jordan, Simrock, Bodenstedt en Gildemeister, Heyse, Wilbrandt, Gundolf, Flatter e.a 19de en 20ste eeuw meende verbeteringen betreffen overbodige bijkomstigheden of zijn feitelijke verslechteringen.’ Het is dezelfde brief, waarin Lessing zijn betoog voortzet, dat het niet met de D. geest strookt, zich naar het Fr. classicisme te richten, dat innerlijk Shakespeare hun veel nader staat. Neem de ‘Zaïre’ van Voltaire, zegt hij, hoe ver staat die boven de tragedie van Corneille, maar hoe ver beneden de ‘Othello’ van Shakespeare. ‘Othello’, ‘King Lear’ en ‘Hamlet’ zijn gelijkwaardig aan Sophocles’ ‘Oedipus Rex’.

Deze klaroenstoten begeleiden de ondergang van het eens zo machtige rijk van de dictator Gottsched en begroeten een eeuw van letterkundige bloei, waarin niemand zo tot de generatie zou spreken, niemand de kunst in opeenvolgende, soms min of meer tegenovergestelde, stromingen zou beheersen als Shakespeare. Hij wordt de barometer, waarop men in de door hem geoefende invloed de stand van de Duitse letterkunde op verschillende tijden kan aflezen. Bovenstaande tabel poogt dit verschijnsel overzichtelijk vast te leggen.

Klopstock en Lessing zijn de herauten van de nieuwe tijd, de een in het lyrische en epische, de andere in het critische en dramatische. Wat Klopstocks ‘Messias’ (1748-1773) aan zijn tijdgenoten te zeggen had, is voor het nageslacht haast onbegrijpelijk geworden. In de huiskamers wond men er zich over op, of de boze engel Abbadona, dezelfde, die bij Vondel in de ‘Lucifer’ de naam Apollion draagt (Openbaring 9:11) tenslotte wel dan niet in genade zou worden aangenomen. Tegen het Rationalisme in bestond er dus wel degelijk een innige behoefte om met Christus te leven en te lijden. Piëtistische gevoelens leefden in brede lagen van de bevolking. Klopstock vond voor stichting en ontroering een gelukkige vorm. Hij waagde het, de hexameter aan de D. taalklank aan te passen en verdrong daarmee, gesteund door de Homerus-vertalingen van Johann Heinrich Voss, de door Opitz met zoveel succes ingevoerde alexandrijn. Zo populair kon de hexameter niet worden, maar in Goethes terecht bewonderde familie-epos ‘Hermann und Dorothea’ (1798) burgerde hij zich bij het D. volk in. Ook Klopstocks lyriek is van hoge waarde. Godsdienstige en nationale gevoelens werden er door versterkt, sentimenten van liefde en vriendschap vonden in veelal aan de Grieken ontleende versvormen een verheven uitdrukking. Goethe en de Romantiek, Uhland en Heine staan met hun gevoeligste gedichten in een door Klopstock gevormde traditie.

Lessing is in aanleg veelszins zijn tegendeel. Hij ontzegt zich zelfs de titel van dichter. Lyrisch was hij dan ook niet, maar een prozaïst van ongewone kracht. Omvattende gegeleerdheid, zowel archaeologisch als filosofisch, theologisch als literairhistorisch, maakte hem tot een betrouwbaar leidsman; scherpzinnigheid, waarheidsliefde en zedelijke moed vormden hem tot een machtig strijder voor nieuwe idealen en een gevreesd criticus, wiens slachtoffers, als Lange, Klotz en Goetze, de twijfelachtige eer genieten, door hem aan de vergetelheid te zijn ontrukt. ‘Vliegjes in barnsteen’, zegt Heine ervan. Op het voetspoor van Winckelmann bracht hij de kunst van Hellas onder veler aandacht en trok aan de hand van een boeiende vergelijking tussen plastische uitbeelding en epische schildering bij de classieken, heilzame scheidingslijnen tussen schilder- en beeldhouwkunst te ener, woordkunst te anderer zijde: ‘Laokoon oder über die Grenzen der Malerei und Poesie’ (1766), schiep ook in literaire genres orde, vooral met zijn ‘Abhandlungen über die Fabel’ (1759), door eigen fabelen in kernachtig proza gevolgd. Maar zijn hoofdverdienste betreft het toneel. In jonge jaren beoefende hij het blijspel en bracht met zijn ‘Minna von Barnhelm oder das Soldatenglück’ (1767) een stuk van actuele betekenis en blijvende bekoring op de planken, dat zich tot op de huidige dag heeft kunnen handhaven. Tussen zijn eerste blijspelen en dit meesterwerk schiep hij naar Engels voorbeeld (Lillo) de eerste sociale tragedie in D.: ‘Miss Sara Sampson’ (1755) en vestigde daarmee een roemrijke traditie, waarin hij zijn ‘Emilia Galotti’ (1772) liet volgen. ‘Sturm und Drang’ vond in dit genre een geschikte vorm voor zijn révolutionnaire kunst. De Gretchen-tragedie in de Faust is een sprekend symptoom. Verdere hoogtepunten in deze dichtsoort zijn Schillers ‘Kabale und Liebe’ (1783), Hebbels ‘Maria Magdalena’ (1844), Hauptmanns ‘Rose Bernd’ (1904). Lessings in de ‘Literaturbriefe’ (1759-1765) zo gelukkig gevoerde critiek spitste zich in zijn ‘Hamburgische Dramaturgie’ (1767-1769) op het drama toe en droeg in hoge mate bij tot de bloei van het D. toneel, zowel door de voortgezette strijd voor het oeuvre van Shakespeare als door zijn raadgevingen inzake spel en regie, zijn verhelderende beschouwingen over bouw en techniek, over het wezen van het tragische. Uit zijn strijd tegen dogmatische onverdraagzaamheid ontstond het toneelwerk ‘Nathan der Weise’, heilzaam door alomvattende mensenliefde, wegwijzend in het formele als eerste drama in blanke verzen, waarin Goethe en Schiller, Kleist, Grillparzer en Hebbel en zo vele anderen hem zouden volgen.

Als wegbereider voor de bloeitijd van de Duitse letteren staat, naast Klopstock en Lessing, Christoph Martin Wieland, die door zijn talent als verteller, zijn gevoel voor romantische stof en zijn humoristische opvatting grote invloed uitoefende en tevens door zijn proza-vertaling van Shakespeare het arsenaal schiep, waaruit zijn tijdgenoten tot en met Schiller zouden putten. Naast onderhoudend romanschrijver in ‘Don Sylvio von Rosalva’ (1764), ‘Agathon’ (1766-1767), ‘Die Abderiten’ (1774) en vele andere, is hij vooral kunstenaar op het gebied van de poëtische novelle, als ‘Musarion’ (1668) en bovenal ‘Oberon’ (1780), gelukkige synthese van fantastische elfenmotieven à la Shakespeare, oosterse sprookjeselementen, en een aan de Romaanse heldensage ontleende handeling, een meesterwerk, dat volgens Goethes woorden ‘liefde en bewondering zal wekken, zolang poëzie poëzie, goud goud en kristal kristal zal blijven’.

De jongste van de vier dichters, die elk op eigen wijze de fundamenten legden voor het grootse gebouw van de bloeitijd, Johann Gottfried Herder, is in de eerste plaats theoreticus. Leerling van Kant en Hamann, verbindt hij met een filosofisch geschoolde geest een dichterlijke opvatting en een scheppende virtuositeit in taal en stijl. Zijn nieuwe vruchtdragende denkbeelden raken het wezen van taal en dichtkunst, aard en betekenis van historische studie, het verband tussen poëzie en godsdienst, de geestelijke waarden in volksliederen en in de aan Ossian toegeschreven poëzie: ‘Von deutscher Art und Kunst' (1773), ‘Ideen zur Philosophie der Geschichte der Menschheit’ (1784-1791), ‘Briefe zur Beförderung der Humanität’ (17931797). Zijn invloed strekt zich over verschillende geslachten en uiteenlopende stromingen uit. Het persoonlijk contact met Goethe betekende het begin van de genieperiode, die in letterkundig verband naar een drama van Klinger de tijd van Sturm und Drang wordt genoemd, een term, die ook buiten dit verband en zelfs in andere talen ingang heeft gevonden. Niet minder vertoont de daaropvolgende ‘humaniteits-periode’ onmiskenbare sporen van Herders doorwerkende invloed. En tenslotte heeft ook de D. Romantiek opnieuw uit hem geput. Minder lyrisch dan Klopstock, minder kernachtig dan Lessing, minder onderhoudend dan Wieland, overtreft hij hen door zijn diepe inzicht in hetgeen de tijd in wetenschap en kunst van node had. Hij is de eerste, die voor letterkundig-wetenschappelijke doeleinden volksliederen van de meest verschillende landen verzamelt en door zijn ‘Stimmen der Völker in Liedern’ (1778) aan de lyriek nieuwe paden wijst. Uitzijn eigen poëzie verdient de posthuum uitgegeven romancencyclus ‘Der Cid’ (1805), het leven van de Spaanse volksheld Rodrigo Diaz, geïnspireerd op Sp. volksliederen, vermelding.

De gemeenschappelijke invloed van deze vier profeten van een nieuwe tijd leidde in eerste instantie tot twee groeperingen van dichterlijke strekkingen en verlangens die, ofschoon in de tijd vrijwel samenvallend, zich in bijna tegenovergestelde richting ontwikkelden: de ene sloot zich enger aan Klopstock, de andere nauwer aan Herder aan.

In verering voor de Messias-dichter, liefde voor de deugd en het vaderland verenigden zich in de jonge universiteitsstad Göttingen een aantal jeugdige dichters om Heinrich Boie, die sinds 1770 de ‘Göttinger Musenalmanach’ uitgaf, een nieuwe vorm van collectieve kunstuiting naar het voorbeeld van de sinds 1765 te Parijs verschijnende ‘Almanach des Muses’. Zinspelende op een gedicht van Klopstock ‘Der Hügel und der Hain’ (1767), waarin tegenover de ‘heuvel poëzie’ van de Helicon (vgl. het prentje van blz. 227) de ‘Germaanse woudpoëzie’ wordt geproclameerd, noemden zij hun kring Göttinger Hainbund, richtten zich in godsdienstige zin tegen het Rationalisme, vooral als Franse invloed, die zij bijzonder verderfelijk in sommige werken van Wieland vertegenwoordigd zagen, en trachtten de classieke mythologie door de Germaanse godenwereld uit de literatuur te verdrijven. Het waren de gebroeders Christian en Friedrich, graven von Stolberg, Hölty, Matthisson, Martin Miller en de verdienstelijke vertolker van ‘Ilias’ en ‘Odyssee’ Johann Heinrich Voss. De bekoorlijke idylle ‘Luise’ (1783-1795) en de aantrekkelijke ‘Siebzigster Geburtstag’ (1781) van Voss zijn voorlopers van Goethes ‘Hermann und Dorothea’. In nauwe betrekking tot hen stonden Matthias Claudius, redacteur van het populaire tijdschrift ‘Der Wandsbecker Bote’ (1775-1812) en dichter, zowel van frisse volksliederen als vertellende gedichten, alsook de virtuoze Gottfried August Burger, die door zijn op Percy’s ‘Relics of Ancient Poetry’ geïnspireerde ‘Lenore’ de grondlegger van de moderne D. balladenpoëzie werd en door zijn vloeiende lyriek bevruchtend op de Romantiek inwerkte.

Minder aaneengesloten, maar sterker in hun tendenties waren de jonge literatoren, die omstreeks dezelfde tijd onder de leuze ‘Genialiteit en oorspronkelijkheid’ de strijd aanbonden tegen regelmatige vlakheid en door de mode begunstigde wuftheid, tegen traditie en conventie. Gaf Klinger door zijn ‘Sturm und Drang’ (1776) aan de beweging haar naam, de belangrijkste vertegenwoordigers waren Goethe in zijn revolutionnaire tijd met werken als ‘Götz von Berlichingen’ (1773), ‘Werther’ (1774), ‘Egmont’ (eerst verschenen in 1788), ‘Urfaust’ (eerst in 1887 ontdekt) naast treffende gedichten op ‘Friederike’, en Schiller in zijn jonge jaren met drama’s als ‘Die Räuber’ (1781), ‘Fiesko’ (1783), ‘Kabale und Liebe’ (1783), ‘Don Carlos’ (eerst in 1787 voltooid) naast geëxalteerde lyriek op ‘Laura’. Schillers ‘Sturm und Drang’ heeft een meer persoonlijk dan een door tijdsverband bepaald karakter: toen hij de revolutionnaire doelstellingen van de beweging trachtte te verwezenlijken, waren Goethe en zijn medestanders daaraan al ontgroeid. Dit parallelisme in levenscurve schiep door de tien jaren levensverschil tussen de beide grootste dichters van hun land een tegenstelling, die eerst najaren en niet dan na het uit de weg ruimen van talrijke beletselen tot een werkgemeenschap kon uitgroeien.

Ondanks het tijdsverschil stemmen Goethe en Schiller in hun ‘Sturm und Drang’-tendenties overeen: afhankelijkheid van Herder en Klopstock, Lessing en Wieland, bewondering voor Rousseau en Shakespeare, het zoeken naar oorspronkelijkheid van poëtische scheppingen in volksliederen, in Ossian, in de Bijbel. Naast Goethe en Schiller is Lenz de begaafdste van de groep: zijn ‘Hofmeister’ (1774) en ‘Soldaten’ (1776) baarden bij hun verschijnen opzien en wekten een eeuw later tijdens het naturalisme opnieuw bewondering. De Faustsage maakte opgang: Goethe legde de grondslag voor zijn levenswerk, Maler Müller wijdde er een dramatisch fragment aan (1776), Klinger een roman ‘Fausts Leben, Thaten und Höllenfahrt' (eerst veel later verschenen: 1791), Heinrich Leopold Wagner ontleende aan Goethes ‘Urfaust’, naar het schijnt, het motief voor zijn ‘Kindermörderin’(1776), een motief, dat als sociaal probleem bij alle groepsgenoten weerklank vond.

DE GROTE TIJD Toen Goethe in 1770 te Straatsburg met Herder in persoonlijke aanraking en daardoor, alsook door de indrukken van stad en land, te sterker, daar ze contrasteerden met die uit zijn eerste studententijd, in ‘Klein Parijs’ (Leipzig) doorgebracht, tot zijn genie-tijd kwam, had hij al heel wat jeugdwerk, anacreontische liederen naar de smaak van de ‘petite poésie’ van Gleim, Uz, Ramler en ook Lessing, rococo-blijspelen als het bekoorlijke ‘Laune des Verliebten’ (eerst 1787 in ’t licht gegeven), achter zich.

Leest men Goethes eigen levensverhaal ‘Dichtung und Wahrheit’ (1811-1832), dan wordt deze studietijd in de Elzas het aureool van de te Straatsburg ondervonden vriendschap, de te Sesenheim doorleefde liefde (Friederike Brion), een lente van jonge, gezonde levenskracht, een doorbreken van het gevoel voor het echte in de bouwkunst van de Dom en in de woordkunst van de volksliederen, een samengaan van levensvreugde en scheppingsdrang. Zo ontstonden concepties als van ‘Götz von Berlichingen’ en ‘Faust’. De advocatuur in zijn vaderstad Frankfort liet hem tijd tot uitwerken, onderbroken door een halfjaar volontairschap bij het rijksgerecht te Wetzlar. Hier bracht een nieuwe liefdeservaring hem tot de populair geworden sentimentele roman ‘Die Leiden des jungen Werthers’ (1774). Toen hij in 1775 naar Weimar ging als gast, later minister, reisgenoot en vriend van de hertog, was de ruim vijfentwintigjarige jonge man al een beroemd dichter, naar wiens ‘Urfaust’ het hof gaarne luisterde. De elf jaren tussen zijn ‘Sturm und Drang’ en de persoonlijke levenservaring van classieke kunst in Italië betekenen winst. Hij leerde het leven in groter verband kennen, tussen strijdige belangen van op macht en eerzucht ingestelde mannen zijn weg vinden, de stemmingswisselingen van een fijnbesnaarde vrouwenziel, Charlotte von Stein, beluisteren. Zijn lyriek kreeg de bezonkenheid van de ervarene: ‘Ilmenau’ (1783), de subtiliteit van dein ’t liefdesmysterie ingewijde: ‘An den Mond' (1778). Maar bij dat alles moest de dichter bij de staatsman achterstaan. Er ontstond heimwee naar de kunst. Italië (1786-1788) bevredigde dit verlangen, gaf vernieuwing, bezinning, ommekeer. Hoe grondig zijn levenshouding zich gewijzigd had, werd hem eerst bewust, toen hij contractueel de poëzie van zijn jeugd voor zijn ‘Schriften’ (1787-1790) had te bundelen. In de nieuw-gewonnen vorm van de jambische vijfvoeter vonden ‘Iphigenie auf Tauris’ en ‘Torquato Tasso’, in 1779 en in 1780 begonnen, in 1787 en 1790 hun afsluiting. ‘Faust’ werd, naar het scheen definitief, beperkt tot ‘Ein Fragment’ (1790).

Na zijn terugkeer uit Italië vond hij Schiller in zijn sfeer, voorlopig niet tot beider bevrediging. Er was een natuurlijk antagonisme. Voor Goethe was de jonge Schiller nog altijd de revolutionnair van ‘Die Räuber’ (1781), die wel in zijn ‘Don Carlos’ (1784-1787) getoond had, voor de door Goethe in navolging van Lessing gekozen versvorm toegankelijk te zijn, maar toch nog altijd, naar hij meende, in kunstopvattingen leefde, die hij allang en vooral sinds Italië hartgrondig afgezworen had. Ze groeiden evenwel naar elkaar toe. Schiller kwam door zijn huwelijk in kringen, waartoe Goethe behoorde. Een uitnodiging om aan Schillers ‘Horen’ mee te werken, viel in goede aarde. Een gesprek naar aanleiding van een door beiden bijgewoonde lezing leidde tot een dispuut over Goethes ‘oerplant’, waarbij twee verschillend gerichte denktypen op elkaar botsten: wat voor Goethe ‘ervaring’ leek, bleek voor Schiller ‘idee’. Overbruggend schreef deze daarop zijn even dappere als scherpzinnige brief van 23 Augustus 1794, die, goed begrepen, de beste commentaar is op de psychologische analyse van de een zowel als van de ander. Tegenover de intuïtieve geest, die tot aanschouwen voorbestemd, van de veelheid der verschijnselen uitgaat, om tot een natuurlijke synthese te geraken, plaatste hij, geschoold in kantiaanse denkvormen, zich zelf, logischspeculatief, uitgaande van de idee en tastend naar de verschijnselen. Als de intuïtieve geest, meent Schiller, geniaal genoeg is om met de aanschouwing het zoeken naar causaliteit te verbinden en de speculatief aangelegde mens maar verstandig genoeg om bij zijn gedachtencombinaties de werkelijkheid in het oog te houden, moeten zij elkaar halverwege ontmoeten. De brief werd goed opgenomen: het hachelijke experiment van een dubbele analyse als grondslag voor de vestiging van een vriendschapsrelatie gelukte.

Later heeft Schiller in zijn verhandeling ‘Über naive und sentimentalische Dichtung’ (1796) deze tegenstelling verder uitgewerkt en in het nabootsende type, waartoe Schiller behalve Goethe ook Homerus en Shakespeare meent te kunnen rekenen, tegenover de meer constructief aangelegden, waarin hij gelooft zich bij Aristophanes en Ovidius, Ariosto en Voltaire te kunnen aansluiten, de moderne typenleer met de hoofdtegenstellingen tussen het geëxtraverteerde pycnisch-cyclothyme en het geïntroverteerde leptosoom-schizothyme voorbereid. Schillers grootse conceptie van Goethe als realist tegenover zich zelf als idealist is wetenschappelijk baanbrekend geweest en werd door overtuigende kracht hechte basis voor de werkgemeenschap tussen deze grootmeesters.

Een ongekende bloei van het D. geestesleven was er het gevolg van, allereerst een vloedgolf van scherpe, maar op hoog peil staande critiek in de ‘Xenien’, dan volgden balladen van Schiller, als ‘Der Taucher’, ‘Der Handschuh’, ‘Die Kraniche des Ibykus’, symbolische verhalen van Goethe als ‘Der Zauberlehrling’ en ‘Der Schatzgräber'. Het jaar 1796 is in de D. letterkunde als het ‘Xenienjaar’, 1797 als ‘Balladenjaar’ bekend.

Deze werkgemeenschap, die tot Schillers vroegtijdige dood in 1805 onverzwakt aanhield, leidde er toe, dat geen van beiden meer iets van belang publiceerde, zonder de ander er aandeel aan te geven. Op deze grondslag vond de omwerking van Goethes ‘Wilhelm Meisters Theatralische Sendung’ tot ‘Wilhelm Meisters Lehrjahre' (17951796) plaats, dichtte Goethe zijn huiselijk epos ‘Hermann und Dorothea’ (1798) en kwam hij er in Juni 1797 toe, zijn ‘Faust’ weer op te nemen. Het oude drama werd in een grotere gedachte geheven, wij kennen het scheppende denkproces, dat aan deze historische conceptie-verruiming voorafging. Het drama werd als tweedelig geprojecteerd. Faust wordt tengevolge van deze omwerking het symbool van de lijdende en strijdende mens. In overeenstemming met Goethes levenshouding in dit tijdsgewricht mag men er een optimistische grondgedachte in zien: de naar volmaking strevende mens kan op grond daarvan verlossing in een hiernamaals verwachten. Het zou nog acht jaren duren, tot, enkele jaren na Schillers dood, ‘Der Tragödie erster TheiP (1808) verscheen.

Op dezelfde grondslag van het werken voor een nieuw en hoog ideaal bereikte Schiller de dramatische hoogte, die zich in zijn ‘Wallenstein’ (1796-1799), ‘Maria Stuart’ (1800), ‘Jungfrau von Orléans’ (1801), ‘Braut von Messina’ (1803), ‘Wilhelm Teil’ (1804) en in zijn helaas onvoltooid gebleven ‘Demetrius’ aftekent.

In het licht der geschiedenis schijnt alles te hebben willen samenwerken om dit hoogtepunt van kunst en kunstbegrip, van stijl en stijlgevoel, van begrijpend idealisme en omvattende mensenliefde mogelijk te maken. Het Rationalisme had de verstandelijke begripsomschrijvingen, de genie-periode de waardering van het gevoelselement bijgedragen, Klopstock en Wieland hadden de soepelheid van de taal in poëzie en proza, het door vaderlandsliefde, vroomheid en gevoelsinnigheid gedragen pathos en te anderer zijde een lichte, behagelijk-ironische verhaaltrant geleerd, Lessings mannelijke critiek had door de aspecten op Griekse en Engelse letterkunde het uitzicht verruimd, Herder tenslotte had door wijsgeriggodsdienstige en folkloristisch-poëtische fundering aan het moderne kunst- en levensideaal een grootse omlijning geschonken. Zo kwam deze uitzonderlijke tijd tot stand, die men doorgaans als het ‘classicisme’ in de D. letteren beschouwt, voorbereid als hij is, door Winckelmanns ‘Gedanken über die Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildhauerkunst’ (1755), ‘Geschichte der Kunst des Altertums’ (1764) en de daarop afgestemde essays van Lessing en Herder, doorleefd als hij werd door Goethe tijdens zijn Italiaanse reis en beleden door Schiller in zijn ‘Götter Griechenlands’ (1788-1793). Maar met deze term dekt men toch maar een van de kenmerkende eigenschappen. Bovendien zou als classicistisch dichter Friedrich Holderhn in zijn Hyperion (1797-1799) en ‘Tod des Empedokles’ (fragment 1799) boven Goethe en Schiller uitgroeien. Hij geniet ook door zijn lyriek een tot in onze dagen stijgende bewondering. Niet minder dan Winckelmann heeft Kant op deze tijd zijn geniale stempel gedrukt. Na in zijn ‘Critik der reinen Vernunft’ (1781) een heilzame begrenzing van het denkbare teweeg te hebben gebracht en in zijn ‘Critik der praktischen Vernunft’ (1788) een weliswaar rigoristische, maar juist daardoor een zowel bindende als boeiende zedeleer te hebben opgesteld, sloeg hij in zijn ‘Critik der Urteilskraft’ (1790) een even hechte als elegante brug tussen de beide principieel gescheiden terreinen van zijn metafysica en zijn ethica, maar opende tevens daarmee een toegangsweg tot de moderne schoonheidsleer. Schiller volgde deze weg om de door Kant gegeven grondwet in organieke aanvullingen als ‘Über Anmut und Würde’ (1793), ‘Briefe über aesthetische Erziehung’ (1793-1795) en ‘Über naive und sentimentalische Dichtung’ (1795) uit te dragen in brede kringen. Ook Herderen Goethe volgden de door Kant gewezen weg om te komen tot hun organisme-idee, die dan verder voor de Romantiek vruchtdragend zou blijken. Naast classieke stijl in dichten en leven is critisch-idealistisch denken een kenmerkend bestanddeel van deze bloeitijd, die bovenal in Weimar door het samentreffen van Goethe en Schiller, Wieland en Herder tot een wereldgebeuren werd.

Het wezen ervan ligt te ener zijde stellig in de stijl van het Classicisme, te anderer zijde in het idealistisch denken, maar men treft het nog dieper door uit te gaan van de levenshouding met haar ideaal van humaniteit. Goethe gaf in een xenion er een omschrijving van:

Seele legt sie auch in den Genuss, noch Geist ins Bedürfnis, Grazie selbst in die Kraft, noch in die Hoheit ein Herz.

Zij omvat in liefde de eisen van verstand en gemoed. In haar ziet Herder het uiteindelijk doel van het mensengeslacht. Het zuiverst is zij wellicht in de figuur van 1Vilhelm vort Humboldt vertegenwoordigd, de hervormer van het D. onderwijs, de grondlegger van de Berlijnse universiteit, een geleerde en dichter, die zijn leven tot schoonheid wist te maken en zijn huis tot een middelpunt van geestelijke activiteit op hoog peil.

ROMANTIEK IN VELERLEI BETEKENIS Literatuurperioden volgen niet op elkaar, maar schuiven over elkaar heen, zo geleidelijk, dat veelal eerst het nageslacht de afscheiding ziet. Stellig geldt dat voor Classicisme en Romantiek. Nog vóór de werkgemeenschap tussen Goethe en Schiller tot stand kwam, ondernamen Ludwig Tieck en Wilhelm Wackenroder hun gemeenschappelijke reis door de oude Beierse steden, die zowel tot de hoofdzakelijk door de laatste geschreven ‘Herzensergiessungen eines kunstliebenden Klosterbruders’ (1797) als tot Tiecks roman ‘Franz Sternbalds Wanderungen’ (1798) leidde.

Ongeveer gelijktijdig met deze publicatie gaf Friedrich Schlegel voor de nieuwe richting het parool. Anders dan bij ‘Sturm und Drang’ was het ditmaal niet een nieuwe vondst, maar een sinds een paar eeuwen ingeburgerd woord van vreemde herkomst: ‘romantisch’ noemde men in de 17de eeuw wat in romans werd verteld, later wat in romances werd bezongen. Toen in de 18de eeuw het natuurgevoel zich sterker ging ontwikkelen, sprak men van een ‘romantisch’ landschap. Wanneer Wieland zijn ‘Oberon’ aankondigt als ‘een rit naar het oude romantische land’, dan wijst de term aardrijkskundig naar het Z.W. van ons werelddeel, geschiedkundig naar de M.E. Friedrich Schlegel gebruikt het woord gespecialiseerd, niet meer als artistieke eigenschap, maar als term voor een kunstrichting. Van scherpe afgrenzing kan daarbij evenwel geen sprake zijn. Men kan er nog heden ten dage over twisten, of Hölderlin en Kleist, Heine en Grillparzer er wel of niet bij behoren. Beter stelt men de vraag, in hoevèrre zij er toe gerekend kunnen worden. Ook deed zich al spoedig de behoefte gevoelen, een ‘oudere Romantiek’ van een ‘jongere’ te onderscheiden, terwijl een eeuw later ook de term ‘Neoromantiek’ grif ingang vond. Inderdaad zijn Wackenroder, Tieck, August Wilhelm en Friedrich Schlegel, Novalis van andere geestelijke stempel dan Arnim en Brentano, Eichendorff, Chamisso en E.T. A. Hoffmann, jongere romantici, met wier streven ook de gebroeders Grimm voeling hielden.

Men kan ook aan de term Romantiek een wijdere strekking geven door, het enge verband tussen de ‘oudere Romantiek’ zowel met ‘Sturm und Drang’ als met het ‘Classicisme’ in het oog houdende, de halve eeuw, die zich om 1800 groepeert, als een tijd van ‘romantiek’ op te vatten, waarvan dan het in stijl naar vreemde voorbeelden gerichte Classicisme zich losmaakt. Zelfs zou men weinig tegenspraak hebben te duchten, wanneer men de stelling zou willen verdedigen, dat ‘romantiek’ het vaderland van alle kunst is, waaruit ze zich hoogstens van tijd tot tijd losmaakt, om er met heimwee naar terug te keren. Zulke excursies zijn dan het realisme, het naturalisme, het expressionnisme en de nieuwe zakelijkheid.

In het onderhavige verband verdient het aanbeveling, de grenzen eng te trekken en elke romantische periode afzonderlijk te bespreken.

De oudere Romantiek is meer levenshouding dan ‘school’. Ze hangt zowel met de genieals de humaniteitsperiode ten nauwste samen, leerde vooral van Goethe en Herder, verwijderde zich gaandeweg van Kant en kwam zelfs in botsing met Schiller. De wijsgeren ervan bouwden voort op het systeem van Kant: Fichte in zijn ‘Wissenschaftslehre’ (1794-1797) naar het subjectieve, Schelling in zijn ‘Ideen zu einer Philosophie der Natur’ (1797) en ‘System des transzendentalen Idealismus’ (1800) naar verdere vergeestelijking van de verschijnselen, Schleiermacher in zijn ‘Reden über die Religion’ (1799) naar de opvatting van de godsdienst als een persoonlijk beleven, Hegel in zijn ‘Phänomenologie des Geistes’ (1807) naar de verklaring van de verschijnselen als een zich trapsgewijze vervolmakende, synthetische tegenstellingen overbruggende, bewustwording van de idee.

De vruchtbaarste schrijver van deze periode is Ludwig Tieck met zijn ongelofelijk aanpassingsvermogen aan nieuwe vormen en belangstelling voor oude stoffen. Minder begaafd van fantasie, was August Wilhelm Schlegel, een virtuoos van de vorm en ook in verband daarmee een uitstekend vertaler, die veel tot inburgering van Shakespeare, Calderon en Lope de Vego in Duitsland heeft bijgedragen. Evenals zijn jongere broer Friedrich Schlegel was hij bovendien een veelzijdig criticus en kundig theoreticus. Beiden hebben het begrip romantische kunst en het kunstbegrip in het algemeen verhelderd. Friedrich Schlegel, die door zijn ‘Sprache und Weisheit der Indier’ (1808) aan de vergelijkende taalwetenschap een machtige stoot heeft gegeven, schreef een opmerkelijke psychologische roman, ‘Lucinde’ (1799). De in dichterlijk opzicht meest begaafde uit deze kring, Friedrich von Hardenberg, die zich als dichter Novalis noemde, verwierf zich in een kort leven door diepgevoelde mystiek-godsdienstige liederen, o.a. ‘Hymnen an die Nacht’ (1799) en een romanfragment, ‘Heinrich von Ofterdingen’, (voor 1801) een blijvende plaats in de letterkunde.

De oudere Romantiek heeft naar vele richtingen verruimend gewerkt: de literatuur werd verrijkt met nieuwe, zowel binnenals buitenlandse, stoffen en vormen, verdiept door het geniale; de wetenschap, vooral de oudheid- en volkenkunde, filologie en literatuur, kreeg stuwing, zij het ook met gevaar voor overschrijding van het weetbare; zowel op de schilderkunst van een Caspar David Friedrich, Peter Cornelius en Overbeck, Schnorr von Carolsfeld en Moritz von Schwind, als op de muziek van een Carl Maria von Weber en Franz Schubert, Mendelssohn-Bartholdy en Robert Schumann oefende zij haar invloed uit.

Ziet men de oudere Romantiek tegenwoordig niet meer als ‘school’, de samenhang tussen hen, die men als jongere romantici pleegt te bestempelen, is nog zwakker. Belangrijk is het folkloristische werk van Clemens Brentano en Achim von Arnim in ‘Des Knaben Wunderhorn’ (18061808). Brentano schreef verder gedichten, sprookjes cn novellen, als ‘Die Geschichte vom braven Kasperl und dem schönen Annerl’ (1817), Arnim novellen en romans, als ‘Die Kronenwächter’ (1817), Brentano’s zuster Bettina Brentano, die Arnims vrouw werd, verwierf bekendheid in ruime kring door ‘Goethes Briefwechsel mit einem Kinde’ (1835) en de aangrijpende brieven van ‘Die Günderode’ (1840). Görres, woordvoerder van de katholieke Romantiek, maakte zich verdienstelijk door ‘Die teutschen Volksbücher’ (1807). Tot deze jongere romantici stonden ook de geleerde taalkenner Jacob Grimm en de dichterlijke onderzoeker van mythen en sagen Wilhelm Grimm, gezamenlijk verzamelaars van de invloedrijke ‘Kinderund Hausmarchen’ (1812), de lyrische en verhalende dichter Joseph von Eichendorff met zijn kostelijke vertelling ‘Aus dem Leben eines Taugenichts’ (1826), in betrekking. Maar de Romantiek sloeg nog wijdere golven. Ze omspoelen ook het liefelijk proza-sprookje ‘Undine’ (1811) van Friedrich de la Motte Fouquéen heel het oeuvre van de Z.D. vriendenkring, die veelal uit het velleden de stoffen koos voor gedichten, drama’s, novellen en romans. Ludwig Uhland, een geleerde, die met dichterlijke liefde zowel de Oudfranse sagen als de D. M.E. omvatte, bereikte met zijn drama’s het volk minder dan met zijn balladen. Ook het werk van Gustav Schwab en Justinus Kerner is eigendom van het D. volk gebleven. Begaafd verteller was de jong gestorven Wilhelm Hauff, wiens historische roman ‘Lichtenstein’ (1826), novellen en liederen terecht populair geworden zijn. Maar nog belangrijker is als scheppend kunstenaar Eduard Mörike met zijn liederen en balladen, met novellen als ‘Mozart auf der Reise nach Prag’ (1856) en zijn kunstenaarsroman ‘Maler Nolten’ (1832).

Zoals deze romantische Zwaben een nogal gesloten eenheid vormen, is er ook tussen de Oostenrijkse dichters van dit tijdperk een zekere samenhang. Franz Grillparzer, de belangrijkste dramatische dichter van Oostenrijk uit de eerste helft van de 19de eeuw, verenigt in treurspelen als ‘Sappho’ (1817) en ‘Das Goldene Vliess’ (1820), ‘KönigOttokars Glück und Ende’ (1825) en ‘Des Meeres und der Liebe Wellen’ (1831), in blijspelen als ‘Der Traum ein Leben’ (1834) en ‘Weh dem, der lügt’ (1837), de tradities van het Classicisme met die van de Romantiek. Naast Grillparzer als dramaticus staat als grootste lyrische dichter van de oude Oostenrijks-Hongaarse monarchie Nikolaus Niembsch, Edler von Strehlenau, die zieh als dichter Nikolaus Lenau noemde. Zijn zwaarmoedige liederen, bijeengebracht als ‘Schilflieder’ (1832) en ‘Heidebilder’ (1831-1833), lyrisch-epische taferelen als ‘Der Postillon’ (1832) en ‘Die Drei Indianer’ (1834), lyrisch-epische cyclussen als ‘Savonarola’ (1837) en ‘Die Albigenser’ (1842), zijn lyrisch-dramatisch gedieht ‘Faust’ (1833-1840) zijn meesterwerken van stemming en welluidendheid.

Gelijkwaardig naast Grillparzer en Lenau staat in het epische genre Adalbert Stifter met ‘Studien’ (1844-1850), çy ‘Bunte Steine’ (1853) en‘Erzählungen’. Hij kenmerkt de letterkundige stroming, die men in de laatste kwarteeuw gaarne ‘Biedermeier’ noemt en waarin het romantische in verburgerlijkte vorm optreedt. Het is de kunst van het kleine en behagelijke, het niet-heroïeke en niet-geëxalteerde. Zij is vooral in Oostenrijk thuis, omvat zowel Raimund en Halm als Feuchtersieben en Seidel. Grillparzer heeft veel met hen gemeen, terwijl Lenau in het beeld allerminst past. Ook in andere delen van het D. taalgebied treden verwante tendenties op, zodat men bij het ‘Biedermeier’ ook de Westfaalse dichteres Annette von Droste-HüllshofF, de Holsteinse novellist Theodor Storm, de Westfaalse romanschrijver Wilhelm Raabe betrekt. Ook Gottfried Keiler, de Zwitser, wordt er toe gerekend. Met de invoering van het ‘Biedermeier’ als genre ging een wijziging in waardebepaling samen, die zich op tot dusver vrij ongemerkt gebleven aantrekkelijkheden baseerde. Het was vooral Stifter, die daardoor naar voren kwam. Er werd zelfs een ‘Stiftergemeinde’ gesticht, waarvoor zich literatoren gingen interesseren van geheel andere geestesrichting. Frank Matzke, die omstr. 1930 als een van de leiders van een uitdrukkelijk van het gemoedsleven afgewende jeugd zou optreden, bracht aan de juist op het zieleleven steunende eigenschappen in Stifters oeuvre hulde, door aan hem een studie over het landschap in zijn poëzie te wijden.

Annette von Droste-Hiilshoff is romantisch in liefde voor haar geboortestreek, voor de geschiedenis ervan en voor de godsdienst van haar katholiek geslacht, realistisch is zij evenwel in het subtiele waarnemen van de natuur en de zorgvuldige beschrijving ervan. Een novelle als ‘Die Judenbuche’ (1842), haar balladen en godsdienstige liederen geven haar recht op de eretitel van Duitslands grootste dichteres. Ook de novellendichter Theodor Storm toont een romantische voorkeur voor zijn geboortegrond: ‘Immensee’ (1852), ‘Pole Poppenspäler’ (1875), ‘Aquis submersus’ (1877) en ‘Der Schimmelreiter’ (1888). Bovendien is hij de lyricus van Sleeswijk-Holstein. Wilhelm Raabe verenigt een romantische aanleg met een smartelijk doorleefd kunstenaarschap, gekleurd door de wijsbegeerte van Schopenhauer. Zijn romans als ‘Aus der Chronik der Sperlingsgasse’ (1856) en ‘Der Hungerpastor’ (1863) hebben een Raabe-gemeente gesticht. Romantisch in aanleg is ook Keilers kunstenaarsroman ‘Der Grüne Heinrich’ (1855, later omgewerkt). In zijn novellencyclus ‘Die Leute von Seldwyla’ (1856 en 1874) en ‘Züricher Novellen’ (1878) zijn ernst en humor smaakvol verenigd. Hij legde de grondslag voor een eigen Zwitserse letterkunde.

De door de Romantiek gewekte geest gaat door de gehele negentiende eeuw. De Franse refugié Adelbert von Chamisso verloochent hem in zijn lyriek: ‘Frauen-Liebe und Leben’ (1813) evenmin als in zijn balladen en zijn veelgelezen vertelling ‘Peter Schlemihl’ (1814). Zelfs Heine, die als criticus tegen de Romantiek bezwaren uitte en officieel door het beruchte Bondsbesluit van December 1835 bij de gevaarlijk geachte groep van het ‘Jonge Duitsland’ werd ingedeeld, is als kunstenaar van zijn eerste tot zijn laatste verzenbundel: ‘Buch der Lieder’ (1827), ‘Romanzero’ (1852) bovenal romanticus, niet het minst in zijn literaire satire ‘Atta Troll (1847).

Een duidelijk romantische inslag had de geestdrift voor de Griekse vrijheidsoorlog, waaraan een volbloed romanticus als Byron zijn leven gaf en die ook in de Franse Romantiek van Victor Hugo en anderen levendige weerklank vond. Op Duitse bodem is de zuiverste vertegenwoordiger van dit politieke filhellenisme de lyrische dichter Wilhelm Miiller, wiens ‘Lieder der Griechen’ (1821-1824) beroemdheid verwierven.

De romantische inslag in het literaire filhellenisme blijkt ook uit het feit, dat sommigen hun in verzen uitgedrukte sympathie gelijktijdig aan de politiek eveneens onfortuinlijke Polen gaven. Het Poolse noodlot bezielde ook dichters van groter formaat als Heine en Lenau, Hebbel en Freiligrath. De merkwaardigste mengeling van romantiek, classicisme, filhellenisme en Polen-vriendschap toont August von Platen, die als bestrijder van de Romantiek optrad, maar in zijn liefde voor exotische motieven in zijn gedichten er niettemin aan verwant is. Exotisch is ook de lyriek van Friedrich Riickert: ‘Die Weisheit des Brahmanen’ (1836-1840) en Friedrich Bodenstedt: ‘Lieder des Mirza Schaffy’ (1851).

Inheemse doorwerking van de Romantiek toont Karl Immermann in zijn satirische roman ‘Münchhausen’ (1838-1840), waaruit een fragment ‘Der Oberhof’als begin van een nieuw genre, de dorpsnovelle, opbloeide. In lyriek, epos en roman bleven romantische stemmingen voortleven: ‘Der Trompeter von Säckingen’ (1853) en ‘Ekkehard’ (1855) van Joseph Viktor von Scheffel, ‘Juniuslieder’ (1848) van Emanuel Geibel. ‘Butzenscheibenlyrik’ is het kenmerkende woord, waaronder deze verzen door anders gerichte geesten werden gehekeld: inderdaad doet deze gewild op het oude ingestelde poëzie denken aan kleine, bolle glasruitjes in lood. Overeenkomstige tendenties laten zich opmerken in de romans van Georg Ebers: ‘Eine ägyptische Königstochter’ (1864) en Felix Dahn: ‘Ein Kampf um Rom’ (1876), alsook in de literair veelszins overschatte muziekdrama’s van Richard Wagner. Een van zijn vurigste bewonderaars vond Wagner in de classicus Friedrich Nietzsche, die in ‘Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik’ (1871) eveneens naar vernieuwing in en door de kunst streefde. Weldra bleken evenwel onverzoenlijke tegenstellingen. In het virtuoze taalmonument ‘AIso sprach Zarathustra’ (1883-1891) poneerde Nietzsche zijn ideaal van de oppermens, vol gezonde kracht, durf, levensdrang en machtsgevoel. Tegen het inzicht en de ethiek van zijn tijd als intellectualisme en materialisme, maatschappelijke moraal en democratische politiek richtte zich ‘Menschliches-Allzumenschliches’ (1878), ‘Morgenröte’ (1881) en ‘Jenseits von Gut und Böse’ (1886), tegen het Christendom zijn ‘Antichrist’ (1888). Op letterkunde en wijsbegeerte heeft Nietzsche ontegenzeggelijk vruchtdragend gewerkt, daarentegen bleek zijn invloed op de grote massa en een daarop gerichte politiek, wat nauwelijks anders te verwachten was, noodlottig.

Naast de oudere Romantiek staan enkele zelfstandige, oorspronkelijke geesten, die aparte behandeling verdienen. Behalve de reeds in ander verband besproken Hölderlin is dat de satirische romanschrijver Jean Paul, die in het burgerlijk leven Johann Paul Friedrich Richter heette en door zijn fantastische romans en idyllische vertellingen blijvende invloed uitoefende: ‘Schulmeisterlein Wuz’ (1791), ‘Siebenkas’ (1796-1797), ‘Titan’ (1800-1803) en de onvoltooide ‘Flegeljahre’ (1804). Van artistiek en kunst-theoretisch standpunt is niet minder belangwekkend Heinrich von Kleist, die men eerst in later jaren als dichter van het bewuste irrationalisme heeft leren waarderen. Behalve in zijn novellen en blijspelen, waaronder enerzijds ‘Michael Kohlhaas’ (1810), anderzijds ‘Der Zerbrochene Krug’ (1811) is te noemen, is Kleist, de in zijn kunst miskende en in het leven gestrande, vooral treurspeldichter: ‘Die Familie Schroffenstein’ (1803), ‘Penthesilea’ (1808), ‘Das Kathchen von Heilbronn’ (1810) en ‘Prinz Friedrich von Homburg’ (posthuum gedrukt 1821).

Ook Goethe, die in jonge jaren de beweging van ‘Sturm und Drang’ mee had gedragen, die aan de humaniteitsperiode een belangrijk aandeel had en classicistische stijlbedoelingen verwezenlijkte, moest zijn houding ten opzichte van de Romantiek bepalen. Had zijn ‘Wilhelm Meister’ er een krachtige stoot aan gegeven, zijn uit de voortzetting van dit complex opgebloeide roman ‘Die Wahlverwandschaften’ (1809) toonde naast verwantschap in sfeer een duidelijke tegenstelling in levenshouding. Het bekoorlijke, op rembrandtieke lichteffecten gerichte feestelijke spel ‘Pandora’ (1807) ontleent aan de Romantiek zijn rijkdom aan dichterlijke vormen, terwijl ook het tweede deel van de ‘Faust’(posthuum verschenen 1833) naast classieke vormingselementen een rijke bloei van romantische schoonheid bevat. Met zijn ‘Westöstlicher Divan’ (1819) gaf hij leiding aan de exotische poëzie op D. bodem.

Zelfs Schiller deed in zijn laatste levensjaren aan de actuele stroming kleine concessies. Zijn antiek gerichte ‘Braut von Messina’ (1803) gaf naast de ‘Oedipus’ van Sophocles de stoot tot het met de Romantiek verwante werk van een groepje dichters, die trachtten de dramatische techniek in fatalistische geest te hervormen, en motieven van verwantenmoord en bloedschande combineerden met werktuigen en data, waarop vloek en onheil rust: Zacharias Werner, Adolf Müllner, FranzGrillparzer: ‘Die Ahnfrau’ (1817) en Ernst Houwald. Ook de bevrijdingspoëzie van de napoleontische tijd is met de Romantiek verwant. Friedrich Schlegel, Eichendorff en Fouqué namen er naast Von Kleist aan deel, verder Theodor Körner, Ernst Moritz Arndt en Max von Schenkendorf Bewuste reactie tegen de Romantiek kwam van verschillende kanten. Platen hanteerde het wapen van de parodie in zijn ‘Romantischer Oedipus’ (1828) tegen Immermann en in zijn ‘Verhängnisvolle Gabel’ (1826) tegen het noodlotsdrama. Van geheel andere aard was de oppositie die van een krachtige beweging uitging, die tussen 1830 en 1840 onder Franse invloed radicale principes op politiek gebied trachtte te verwerkelijken en zich zowel tegenover het mystiek-gelovige als het Oudduits-chauvinistische van de Romantiek kantte. Het reeds genoemde censuurbesluit van 1835 bindt hen als ‘Junges Deutschland’ tezamen: Karl Gutzkow en Heinrich Laube, Ludolf Wienbarg, Theodor Mundt en Gustav Kühne. Heine, in hetzelfde verband genoemd en hier reeds in andere samenhang besproken, laat hen als dichter en prozaïst (Reisebilder; 1824-1831) ver achter zich. Ook als politiek georiënteerde persoonlijkheid gaat er van hem een werking uit, die geenszins tot de grenzen van zijn land beperkt bleef. Zijn literaire tegenstander Ludwig Börne, eveneens strijder tegen censuur en regeringsdwingelandij, toont meer verwantschap met de Jongduitse beweging, die met kleinere dimensies werkte dan Heine voor de vlucht van zijn gedachten en idealen nodig had. Democratische volgelingen van deze stroming waren Hoffmann von Fallersleben, kenner ook van Oudnederlandse poëzie, Freiligrath, die in ons land sterke invloeden voor zijn dichterschap onderging, Herwegh, Dingelstedt, Prutz, Kinkel en Simrock. Vooral op het gebied van het drama, waar de Romantiek vrij onvruchtbaar was gebleven, ontwikkelde zich de behoefte aan meer werkelijkheidszin. Daaraan kwamen Grabbe met ‘Don Juan und Faust’ (1829) en ‘Napoleon’ (1831), Georg Büchner met ‘Dantons Tod’ (1835) en ‘Woyzeck’ (1836) tegemoet. Theoretisch en practisch werd op dit gebied belangrijk werk geleverd door Friedrich Hebbel, wiens dagboeken bovendien stimulantia voor de moderne psychologie betekenden. Zijn ‘Wort über das Drama’ (1843) en ‘Vorwort zur Maria Magdalena’ (1844) vestigden een nieuwe dramatische theorie, zijn drama’s tonen het beeld van een ernstig zoeker naar het meest volmaakte: ‘Judith’ (1840), ‘Genoveva’ (1841), ‘Maria Magdalena’ (1843), ‘Herodes und Mariamne’ (1848), ‘Agnes Bernauer’ (1851), ‘Gyges und sein Ring’ (1854) en ‘Die Nibelungen’ (1862). Scherpzinnig theoreticus, zij het ook op beperkter terrein, was de Shakespeare-interpretator en Schiller-veroordelaar Otto Ludwig, die in zijn ‘Erbförster’ (1853) een krachtig drama en in ‘Zwischen Himmel und Erde’ (1857) een bekoorlijke novelle schiep. In hem is het z.g. ‘Poëtische Realisme’ wel het meest kenmerkend vertegenwoordigd. Dichter van veelgespeelde volksstukken op deze grondslag werd de Oostenrijker Ludwig Anzengruber: ‘Der Pfarrer von Kirchfeld’ (1870) en ‘Das vierte Gebot’ (1878). Een overeenkomstige bekendheid in het epische vond zijn landgenoot Rosegger met romans als ‘Die Schriften des Waldschulmeisters’ (1876), ‘Der Gottsucher’ (1883), ‘Das ewige Licht’ (1897), die daarmee de roem van Maria von Ebner-Eschenbach en Ferdinand von Saar vooral in het buitenland overtreft.

Zoals Anzengruber en Rosegger aan de uitbeelding van hun landelijke volksaard mede hun succes te danken hadden, was ook in N.D. een kunst ontstaan, die sterk met het landschap samenhing. De Mecklenburger Fritz Reuter maakte door zijn ‘Olie Kamellen’ (1860-1868) en ‘Ut mine Stromtid’ (1863-1864) het Platduits tot literatuurtaal, waarin de Holsteiner Klaus Groth was voorgegaan.

Ook Zwitserland had deel aan de Duitse letterkunde. Naast de reeds in ander verband genoemde Gottfried Keiler is hier de religieus-conservatieve Jeremias Gotthelf (schuilnaam voor Albert Bitzius) met zijn boerenromans ‘Uli der Knecht’ (1841) en ‘Uli der Pächter’ (1849), uit later tijd de kunstzinnige Conrad Ferdinand Meyer te noemen: ‘Jürg Jenatsch’ (1874), ‘Die Hochzeit des Mönches’ (1884) en ‘Angela Borgia’ (1891). Meyer heeft daarnaast voortreffelijke balladen gedicht.

Balladendichter was ook de Brandenburger Theodor Fontane, die in later levensjaren met aantrekkelijke romans voor den dag kwam: ‘L’Adultera’ (1882), ‘Irrungen, Wirrungen’ (1888),‘Effi Briest’ (1895) en ‘DerStechlin’(1899).

HET HEDEN Letterkundige vernieuwing ontstond omstreeks het jaar 1880. Maar terwijl de vernieuwing ten onzent voornamelijk aan de lyriek en aan het inzicht in het wezen van de poëzie ten goede kwam, waarbij Shelly en Keats hun invloed deden gelden en het aesthetische in het begin meer dan het sociale de aandacht trok, was de beweging in D. van meet af propagandistisch-revolutionnair ingesteld en werkte vooral door het toneel. Zij was direct afhankelijk van de resultaten der nieuwste wetenschap, biologisch (Darwin, Haeckel), filosofisch (Nietzsche), sociologisch (Taine) en strafrechtelijk (Lombroso). Haar literaire voorbeelden vond ze in Frankrijk (De Goncourt, Zola), Scandinavië (Ibsen, Björnson, Strindberg) en Rusland (Tolstoj, Dostojewskij). Onder de leuze ‘Waarheid’ heeft het naturalisme vele jaren geheerst, veel onbelangrijks, plats en lelijks voortgebracht, ' maar daarnaast een krachtige invloed ten goede uitgeoefend. De grootste figuur, die mede leiding gaf, maar er zich toch door kleine romantische trekjes al in zijn eerste drama’s van onderscheidde, was Gerhart Hauptmann: ‘Vor Sonnenaufgang’ (1889), ‘Einsame Menschen’ (1891), ‘Die Weber’ (1892), ‘Fuhrmann Henschel’ (1898) en ‘Rose Bernd’ (1903). Gaandeweg maakte Hauptmann zich van het naturalisme los om met de neoromantiek mee te gaan: ‘Hanneles Himmelfahrt’ (1893) en ‘Die Versunkene Glocke’ (1896). Meer van tijdelijke beroemdheid was Hermann Sudermann met drama’s als ‘Die Ehre’ (1889) en ‘Heimat’ (1892). Veel gelezen werd zijn roman ‘Frau Sorge’ (1887) . Talent verraden ook de drama’s van Max Halbe als ‘Jugend’ (1893) en van Otto Erich Hartleben als ‘Rosenmontag’ (1900). Een merkwaardige mengeling van naturalistische techniek met een revolutionnaire ethiek vindt men in de veelgespeelde drama’s van Frank Wedekind: ‘Frühlings Erwachen’ (1891), ‘Erdgeist’ (1895) en ‘Die Büchse der Pandora’ (1904). Bij het voortschrijden van de wetenschap kon het niet uitblijven dat het naturalisme zich in psychologische richting specialiseerde en zich in toenemende mate de resultaten van de dieptepsychologie ten nutte maakte. De Oostenrijker Arthur Schnitzler kreeg hier de leiding: ‘Anatol’(1892), ‘Liebelei’ (1896), ‘Reigen’ (1900), ‘Der einsame Weg' (1903), ‘Das weite Land’ (1911), ‘Professor Bernhardi' (1912). Ook bij ons is zijn invloed, zowel door zijn drama’s als zijn romans en novellen, belangrijk. Zijn landgenoot Hermann Bahr vierde triomfen met het blijspel: ‘Das Konzert’ (1909).

Ook de roman ging met het naturalisme een bloeitijd tegemoet. Het principe leidde tot bijzondere aandacht voor het milieu, waardoor zich een genre ontwikkelde, dat als ‘Heimatkunst’ een onderwerp van strijd vormde. De grote stad, met name Berlijn, en het land werden in scherpe tegenstelling gebracht. Maar ook andere problemen vonden er hun behandeling: ‘Meister Timpe’ (1888) van Max Kretzer, ‘Die Waffen nieder!’ van Bertha von Suttner, ‘Halbtier’ van Helene Böhlau. Streekromans als Clara Viebigs ‘Die Wacht am Rhein’ (1902), Joseph Lauffs ‘Pittje Pittjewitt’ (1903) en Gustav Frenssens ‘Jörn Uhl' (1901) hadden succes. Versterking van de psychologische inslag kwam aan de roman ten goede: Thomas Manns ‘Buddenbrooks’ (1901) en ‘Der Zauberberg’ (1924), Georg Hermanns ‘Jettchen Gebert’ (1906) en Jakob Wassermanns ‘Caspar Hauser’ (1908), ‘Das Gansemannchen’ (1915) en ‘Der Fall Maurizius’ (1928). Bijzonder sensibel in het aanvoelen van zielsproblemen toonde zich Stefan Zweig, wiens novellen, essays en historische romans de herinnering bewaren aan een kunstenaar, die aan de gespletenheid van zijn tijd te gronde ging. Psychologische analyse is met een onoplosbaar conflict van afstamming verbonden in de Elzasser René Schickele. De tragiek van het land op de linker Rijnoever, waar de geestelijke winst van tweetaligheid niet opweegt tegen de politieke tegenstellingen van een telkens weer omstreden gebied, gaf aan zijn talent de beslissende richting. Optimistisch hoopt hij op een revolutie van de zielen. Zijn romantrilogie ‘Das Erbe am Rhein’ (1925-1928) is een belijdenis.

Op het gebied van de lyriek trachtten Arno Holz en Karl Henckell aan de beginselen van het naturalisme uitbeelding te geven. Een hoger peil werd hier echter eerst door Detlev von Li/iencron en Richard Dehmel bereikt.

Is de ontwikkeling van het naturalisme in psychologische verfijning als een voortschrijden tot hoger niveau te beschouwen, er volgden ook reacties in Reacties tegenovergestelde richting. Zo zocht men te en het aansluiting bij de absolute tegenstelling: de Romantiek. Het is stellig niet toevallig, dat Ricarda Huch, die zoveel gedaan heeft om de D. Romantiek in brede kringen te doen begrijpen, hier ook scheppend een taak voor zich zag weggelegd: ‘Erinnerungen von Ludolf Ursleu dem Jüngeren’ (1892), ‘Aus der Triumphgasse’ (1901) en ‘Der Fall Deruga’ (1917). Hoofdfiguur van de D. neoromantiek werd de Oostenrijker Hugo von Hofmannsthai. ‘Der Tor und der Tod’ (1893), ‘Theater in Versen’ (1899), en ‘Der Rosenkavalier’ (1911), waarin door samenwerking van de dichter met de componist Richard Strauss vrijwel het ideaal van een speelopera werd bereikt.

Een andere reactie tegen het naturalisme zocht aansluiting bij het Franse symbolisme. Rainer Maria Rilke bleef daarbij in de sfeer van het christelijk geloof met de neiging tot mystieke verzonkenheid, waardoor hij voor vele jongeren in geheel Europa tot steun werd: ‘Das Stundenbuch’ (1905), ‘Die Sonette an Orpheus’ (1922), ‘Duineser Elegien’ (1923). Stefan George vond zijn dichterlijke zending in een exclusief schoonheidsideaal als wijdende doelstelling voor een kring van uitverkorenen: ‘Das Jahr der Seele’ (1897), ‘Der Teppich des Lebens’ (1899), ‘Der Siebente Ring’ (1907), ‘Der Stern des Bundes’ (1914), ‘Das neue Reich’ (1930).

Een derde reactie richtte zich naar de idealen van de classieke kunst. Theoretisch en artistiek ging hier een sterke invloed uit van Paul Ernst: ‘Der Weg zur Form' (1906), ‘Demetrios’ (1905), ‘Ariadne auf Naxos’ (1912).

Tenslotte bereikte de letterkundige kunst, die in het naturalisme getracht had. de nauwkeurig waargenomen indrukken van de werkelijkheid uit te beelden, de tegenoverliggende pool in het expressionnisme, dat het accent van de dingen rondom verlegt naar het innerlijke van de kunstenaar. Naast wegbereiders als Edschmid, Kokoschka, Pinthus, Trakl, Stadler, Döblin en Becher zijn het vooral Georg Kaiser: ‘Die Burger von Calais’ (1914), ‘Von Morgens bis Mitternacht’ (1916), ‘Gas’ (1918-1920), Walter Hasenclever: ‘Der Sohn’ (1914), ‘Antigone’ (1917), ‘Mord’ (1926), Ernst Toller: ‘Masse Mensch’ ( 1920), ‘Hinkemann’ (1923) en Franz Werfel: ‘Nicht der Mörder, der Ermordete ist schuldig’ (1920), ‘Spiegelmensch’ (1920), ‘Paulus unter den Juden’ (1926), ‘Barbara’ (1929), die blijvende invloed uitoefenden.

In toenemende mate kreeg de politiek, vooral door het verloop van de eerste wereldoorlog, invloed op de Duitse letterkunde. Uit teleurstelling werd in Duitsland de nieuwe zakelijkheid geboren, die sceptisch, soms ook cynisch zich eigen wegen zoekt: ‘Jugend bekennt: so sind wir!’ (1930) van Franz Matzke, ‘Hauspostille’ (1927) van Bert Brecht, die ook de ‘Dreigroschenoper’ (1928) mee lanceerde, ‘Lerne lachen ohne zu weinen’ (1931) van Kurt Tucholsky, ‘Der fröhliche Weinberg’ (1925) van Car Zuckmayer. Deze kunst was het opkomend nationaalsocialisme een doorn in het oog en werd als waarschuwend voorbeeld propagandistisch uitgebuit. Toen in 1933 Adolf Hitler de macht in handen kreeg, was er voor haar in eigen vaderland geen plaats meer. Er volgde een merkwaardige literatuurperiode, waarin de beste werken voor een belangrijk deel in het buitenland, Oostenrijk en Zwitserland, Zweden, Nederland en Amerika, verschenen. Dit leidde tot een opmerkelijke opschuiving in het literaire wereldbeeld: immers de schrijvers, die in een bepaald land publiceerden, dikwijls ook woonden, kregen een tussenpositie tussen het eigen land en dat van hun literaire gastvrijheid. De term emigrantenliteratuur kwam in gebruik, benaming van vrijwel diametraal tegenovergestelde gevoelswaarde naar gelang van politieke gezindheid. Ons land speelde daarbij een voorname rol. De hier uitgegeven D. emigrantenliteratuur werd op natuurlijke wijze geestelijk bezit van talrijke Nederlanders. Van de elders in dit overzicht genoemden geldt dit voor Georg Hermann, Thomas Mann en Jakob Wassermann, René Schickele, Bruno Frank en Alfred Döblin, Bert Brecht, Lion Feuchtwanger en Arnold Zweig. Maar ook schrijfsters als Anna Seghers, Vicky Baum en Irmgard Keun, auteurs als Ernst Weiss en Alfred Neumann, Wilhelm Speyer en Carl Sternheim, Alfred Kerr en Emil Ludwig, Ernst Glaeser en Leonhard Frank, Joseph Roth en Gustav Regler genieten dientengevolge bij ons bekendheid in ruime kring.

De over de wereld verspreide D. emigrantenliteratuur is de organische ontwikkeling van die letterkunde, die tussen de beide wereldoorlogen door tendenties van democratie en pacifisme gedragen werd en aan het intellect het recht deed wedervaren, dat een heilzame rem tegen geesteloosheid en banaliteit is gebleken. Behalve de onder het gezichtspunt van nieuwe zakelijkheid besproken auteurs verdienen vele werken uit deze jaren eervolle vermelding. Wij dienen ons tot enkele karakteristieke voorbeelden te beperken: ‘Tycho Brahes Weg zu Gott’ (1916) van Max Brod, ‘Der Untertan’ (1918) van Heinrich Mann, ‘Das Schloss’ (1926) van Franz Kafka, ‘Jud Süss’ (1925) van Lion Feuchtwanger, ‘Der Kampf mit dem Dämon’ (1925) van Stefan Zweig, ‘Zwölftausend’ (1927) van Bruno Frank, ‘Der Streit um den Sergeanten Grischa’ (1927) van Arnold Zweig en ‘Im Westen nichts Neues’ (1929) van Erich Maria Remarque. Tegenover deze vertegenwoordigers van vrije kunstuiting staan velen, die hun eerzucht en soms ook hun kunst in dienst stelden van de in enkele grondgedachten gemotiveerde, in andere principieel verwerpelijke en in haar uitwerking noodlottige ideologie van het Derde Rijk. De namen van deze conjunctuurpoëten dienen aan de vergetelheid te worden prijsgegeven.

Tussen deze beide uitersten staat een literatuur, waarvan de waardebepaling eerst na verloop van vele jaren zal kunnen geschieden. De invloed van Friedrich Nietzsche, Houston Stewart Chamberlain en Moeder van den Bruck, van Stefan George en Paul Ernst, van Erwin Guido Kolbenheyer en Hans Grimm leidde tot een letterkundige stroming, waarbij aan geboortegrond en bloedsubstantie buitensporige waarden werden toegekend. Het merendeel van deze werken heeft uitsluitend documentaire betekenis. Misschien zullen de romans van de Oostpruisische, aan het kunstenaarsideaal trouw gebleven Ernst Wiechert, mogelijk zelfs die van de Mecklenburger Friedrich Griese een plaats in de literatuur handhaven of herwinnen.

Het nationaal-socialistisch avontuur heeft in zijn perfide organisatie en propaganda ook gevestigde reputaties geschaad, in de eerste plaats wel die van de al te toegevende Gerhart Hauptmann. Ook de Goethe-kenner Hans Carossa, die met zijn roman ‘Der Arzt Gion’ (1931) veler harten gewonnen had, heeft zich gecompromitteerd, evenals Ina Seidel, wier ‘Wunschkind’ (1930) en ‘Lennacker’ (1938) als literair belangrijk dienen te worden beschouwd. Hans Grimms ‘Volk ohne Raum’ (1928), in zijn tijd aanvaardbaar, werd al in zijn titel een noodlottig slagwoord. Kolbenheyer, wiens ‘Paracelsus’ (1917-1925) indertijd een daad van betekenis was, steunde de biologische principes van het Derde Rijk, het werk van Wilhelm Schafer toont eveneens nationaal-socialistische tendenties. Voor Ernst Jiinger is dat met enige van zijn werken het geval. Een eigenaardige positie nam de jong gestorven Kurt Kluge in: ofschoon voor propagandistische doelstellingen gebruikt, onderscheiden zijn werken, zowel de grootse roman ‘Der Herr Kortüm’ (1938) als de bekoorlijke novelle ‘Die Zaubergeige’ (1939), zich door tere gevoeligheid, veelzijdige kunstzin en personalistisch idealisme zo grondig van de geestesrichting van hun tijd, dat deze boeken stellig de crisis in Duitsland zullen overleven.

Het is precair, aangaande de te verwachten constellatie van de bestaande Duitse letteren veronderstellingen te uiten. Thomas Mann zal buiten kijf de auteur van onbetwist gezag en gemotiveerde beDe literaire herdenking van zijn zeventigste verjaardag in 1945 heeft daarvan een welsprekend getuigenis afgelegd. Of evenwel zijn invloed in het na-oorlogse Duitsland overeenkomstig ingrijpend zal zijn, staat te betwijfelen. Twee omstandigheden schijnen daarvoor in de weg te staan. Hij schijnt niet van plan terug te keren en blijft dus in feite outsider. En ook zijn op het behoud van oude cultuurwaarden gerichte mentaliteit en de hoge eisen, die zijn kunst aan de bevattelijkheid van zijn lezers stelt, zouden kunnen blijken in het ontredderde vaderland slecht te passen. Zijn sterk links georiënteerde oudere broer Heinrich Mann heeft in dit opzicht betere kansen. Ook Wassermann, al heeft zijn kunst nauwelijks minder diepgang dan die van de auteur van ‘Buddenbrooks’ en ‘Zauberberg’, zal eerder aan de behoeften van een voor geestelijk genot ontvankelijk blijvend contingent van de Duitse bevolking voldoen. Invloed ten goede gaat van de sinds lang Zwitser geworden Zuidduitser Hermann Hesse uit, die zijn aan Boeddhisme en Christendom geschoolde levenswijsheid bij toeneming in zijn werken laat zien. Een bijna tegenovergesteld georiënteerd kunstenaar als Alfred Döblin, wiens roman over Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg als eerste deel van een groter geheel kort voor de oorlog in ons land het licht zag, is in 1946 naar D. teruggekeerd.

J. H. SCHÖLTE

Karl Goedeke, Grundriss zur Geschichte der deutschen Dichtung, 10 dln, 2de dr. 1894-1913. Paul Merker en Wolfgang Stammler, Reallexikon der deutschen Literaturgeschichte, 4 dln, 1926-1931.

W. Kosch, Deutsches Literatur-Lexikon, 2 dln, 1927 en 1930.

Friedrich Vogt en Max Koch, Geschichte der deutschen Literatur, 1897 e.v.

Alfred Biese, Deutsche Literaturgeschichte, 3 dln, 1930. Th. C. van Stockum en J. van Dam, Geschichte der deutschen Literatur, 2 dln, 1934-1935.

Albert Soergel, Dichtung und Dichter der Zeit, 2 dln, 21ste en 5de dr. 1927-1928; Im Banne des Expressionismus, 6de dr. 1939; Dichter aus Deutschem Volkstum, 1934. G. Müller, Deutsche Dichtung von der Renaissance bis zum Ausgang des Barock, 1927. O. Walzel, Deutsche Dichtung von Gottsched bis zur Gegenwart, 2 dln, 1927.