kuur betekenis & definitie

Een behandeling met medicijnen in een bepaald tijdvak.

Van tevoren geeft de dokter dan aan over hoeveel dagen of weken verspreid je de medicijnen moet nemen. Het kan bijvoorbeeld een kuur zijn tegen bacteriën (met antibiotica) of tegen kanker (met kankerremmers; dat heet chemotherapie). Je krijgt dan meestal een aantal pillen. Je neemt die dan stuk voor stuk in op opeenvolgende dagen gedurende bijvoorbeeld een of twee weken op een of meer vaste tijdstippen in. Als je een kuur met antibiotica niet regelmatig inneemt of zelfs niet afmaakt, kunnen de bacteriën waartegen de kuur is gericht, ongevoelig (= resistent) worden. Dan komt de infectie terug en ben je terug bij af. Je mag er dus niet halverwege, bijvoorbeeld na drie dagen, mee stoppen, ook al heb je geen klachten meer.

Het woord ‘kuur’ heeft in de geneeskunde een tweede betekenis: het kuren dat mensen in kuuroorden doen.