Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

Schelling

betekenis & definitie

is als wijsgeer eerst te begrijpen, wanneer men kennis genomen heeft van de systemen van Kant en Fichte. Kant heeft ter verklaring van de algemeene geldigheid der natuurwetten positie genomen in het subject, in het Ik, in het Bewusstsein überhaupt.

Fichte trok uit Kant’s standpunt de consequentie en liet heel de natuur een product zijn van den geest, het niet-Ik een schepping van het Ik. Schelling heeft met dit probleem van de verhouding van Ik en niet-Ik, van geest en natuur geworsteld en telkens een andere oplossing beproefd.

Uitgegaan van Fichte heeft hij daarna het zelfstandig bestaan van de natuur tegenover den geest gevindiceerd, vervolgens onder invloed van Spinoza geest en natuur beschouwd als twee zijden van dezelfde zaak, en hij is geëindigd met een filosofische beschouwing, die weer het Christendom naderde. Dat hij onderscheidene standpunten heeft ingenomen, hangt niet alleen samen met de moeilijkheid van de problemen, maar ook met zijn geestelijke geaardheid.

Hij was een zeer begaafd man. Vol ideeën, die zoo maar uit zijn ziel borrelden.

Hij wierp ze snel op het papier, waarbij het hem dikwijls mangelde aan voldoende critisch denken. Hij was vroeg rijp, maar ook vroeg uitgeput.

Kant schreef zijn hoofdwerk op zijn 57e jaar; Schelling, hoewel hij een lang leven heeft gehad, heeft na zijn 34ste jaar ongeveer niets meer gepubliceerd.Friedrich Wilhelm Joseph Schelling is 27 Januari 1775 te Leonberg in Wiirttemberg geboren. In 1790, dus op den leeftijd van 15 jaar, ging hij naar het Tübinger Stift, waar hij als student boven velen uitblonk. Jammer genoeg was hij zichzelf van zijn uitnemende quaiiteiten al te bewust en werd hij daardoor zeer eerzuchtig. Eerzucht is heel zijn leven één van zijn grootste fouten geweest. Toen hij, na onderwijl filosofie gestudeerd te hebben, candidaatsexamen in de theologie had gedaan, weigerde hij predikant te worden, omdat hij naar zijn eigen getuigenis het orthodoxe geloof niet bezat. Daarom koos hij het beroep van geleerde en werd bij wijze van overgangsphase eerst Hofmeister, d. i. instructeur van aanzienlijke jongelui.

Trotsch als hij was, wilde hij zich niet op de gewone wijze aan een universiteit habiliteeren als privaatdocent, maar dadelijk professor worden. Op voorspraak van Goethe werd hij in 1798, dus op 23-jarigen leeftijd, benoemd tot buitengewoon hoogleeraar aan de universiteit te Jena. Hier begon hij dadelijk met een eigen systeem, waarin natuur en geest zelfstandig naast elkaar staan. De uitwerking van de ideeën viel hem niet mee. Hij had, gelijk hij later zelf heeft erkend, nog te weinig materiaal voor een natuurfilosofie; hij maakte schema’s zonder inhoud. Hier schreef hij zijn System des transzendentalen Idealismus (1800). Hij maakte echter wel school en er ging van hem op zijn leerlingen een ontzaglijke invloed uit.

In deze periode is van belang zijn verhouding tot Karoline, een dochter van professor Michaelis in Göttingen. Zij was een begaafde vrouw maar van zeer vrije opvattingen in de erotiek, en dikwijls zeer ontstuimig in de betuigingen harer liefde. Ze was de vrouw van Schlegel, toen ze Schelling leerde kennen. Van het eerste oogenblik af had zij adoratie voor hem, hunne vriendschap werd tot liefde: in 1803 werd het huwelijk tusschen Karoline en Schlegel ontbonden en trouwde zij met Schelling.

In ditzelfde jaar vertrok hij naar Würzburg, waar hij tot 1806 hoogleeraar was in de wijsbegeerte en verdediger van een Spinozistisch identiteitssysteem.

In 1806 vertrok hij, na veel strijd te hebben doorgemaakt, naar München, waarin 1809Karoline stierf. Hier was hij als altijd sterk in plannen, maar zwak in de uitvoering. Aan vele werken is hij begonnen, slechts weinig kwam van de pers. In den catalogus aangekondigde werken zagen nooit het licht.

Na van 1820—1827 in Erlangen gewoond te hebben, werd hij in 1827 aan de universiteit te München benoemd tot hoogleeraar in de filosofie. Hier gaf hij zijn beroemde colleges o ver „positieve” filosofie, welke Vorlesungen über Philosophie der Mythe and Offenbarung na zijn dood uitgegeven zijn.

1840 werd Schelling op 65-jarigen leeftijd benoemd te Berlijn, waar hij 15 November 1841 zijn colleges begon. Aanvankelijk maakte hij veel opgang, maar spoedig taande zijn roem, hij leed onder allerlei twisten, waarvan hij vaak zelf de oorzaak was, en kreeg langzamerhand het gevoel dat hij „overbodig” was. In 1854 is hij gestorven.

Zijn werken zijn in 1856 en volgende jaren in 14 banden uitgegeven door zijn zoon. In 1907 zag een Auswahl, bezorgd door Otto Weiss, het licht.

In zijn vierde of laatste periode na 1806 heeft hij veel gestudeerd in Plato en stond hij onder den invloed van een Roomsch theoloog van theosofische richting, Franz von Baader, die zelf weer beïnvloed werd door Jacob Boehme.

Hij neemt dan een tusschen-standpunt in tusschen theïsme en pantheïsme, maar staat toch meer aan de zijde van het pantheïsme dan aan den kant van het theïsme. Schelling gaat van deze gedachte uit, dat het alleroorspronkelijkste zijn, het oer-zijn bestaat in willen. Wollen ist Ursein is de kernspreuk van zijn filosofie in deze periode. De grond van het wezen Gods is willen en in God is dus ook een proces. We moeten in God onderscheid maken tusschen den donkeren ondergrond of zijn eeuwige natuur en de daaruit voortkomende persoonlijkheid of den eeuwigen geest. Die donkere ondergrond heeft den drang zich zelf te baren, op te stijgen van het onbewuste tot het bewuste.

Alle licht baart zich uit de donkerheid van de vlam, alle geboorte is uit de duisternis tot het licht. Zoo baart God zichzelf. De eeuwige natuur (Vader) heft zich op tot het licht van het bewustzijn in den Logos (Zoon) en de eenheid van den oerwil met den Logos is de Geest. Op deze wijze verspeculeert hij de Heilige Drieëenheid. Hierbij zij nog opgemerkt, dat deze Godsleer in strijd is met hetgeen de Heilige Schrift ons aangaande God openbaart. Zij zegt, dat er in God is geen worden of evolutie, dat God een licht is en er gansch geen duisternis in Hem is, dat er in God geen volmaking is omdat Hij de volmaakte is in zichzelf, dat er drie personen zijn — gelijk de Christelijke theologie leert — drie modi subistendis, drie bestaanswijzen van de Godheid.

In de schepping zien we dezelfde tegenstelling als in God: eenerzijds den donkeren ondergrond, anderzijds het licht van het bewustzijn. In alle dingen is in hun wezen donkerheid, er blijft bij al ons kennen toch een irrationeele rest over.

Zoo is het ook in den mensch. Er is in hem een donker rijk van begeerten, instincten, hartstochten. Er is in hem een afgrond en daar naast de hoogte der zelfkennis.

Deze tegenstelling is er niet gekomen door een zondeval, maar bestaat van nature. Het is in den mensch zoo, omdat het in God zoo is. God echter beheerscht dien donkeren ondergrond (de mogelijkheid van zonde blijft echter in God aanwezig!) maar bij den mensch is dat irrationeele gaan heerschen, zoowel bij het individu als bij de gemeenschap. Vandaar de angst om te leven. Maar — en hier breekt het optimisme weer door — het irrationeele zal onderdrukt worden, want het doel der dingen is het volkomene.

En dit einddoel is slechts te bereiken door een persoon. Nur Persönliches kann Persönliches heilen. De geschiedenis wordt zoo geleid, dat er ten slotte verschijnt een persoon, in wien het irrationeele is overwonnen. Die persoon is Christus.

Er zou over Schelling nog menige interessante opmerking te maken zijn, doch de toegestane ruimte is reeds overschreden. Ten slotte merken we op, dat bij alle waardeering voor menige schoone gedachte in de positieve filosofie van Schelling, we vooral twee groote bezwaren hebben tegen dit systeem:

1° zijn pantheïsme, waaraan hij zich in deze periode ook niet heeft kunnen ontworstelen, en
2° zijn Godsleer met haar heraclitisme en evolutionisme.