Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Ik

betekenis & definitie

Het persoonlijk voornaamwoord van den eersten persoon, wijst in de zielkunde het subject aan, waarvan alle fysische en psychische handelingen bij den mensch uitgaan. Het ik is het eenheidspunt van het zieleleven.

Alle psychische verschijnselen, het kennen, het begeeren en het gevoelen zijn betrokken op een ik. Op de onderscheidingen die weder in het ik te maken zijn, kan hier niet ingegaan worden.

In het algemeen kan gezegd, dat het ik het laatste subject is van alle psychische werkzaamheden.In dit ik-bewustzijn ligt de erkentenis van de eenheid onzer menschelijke natuur en het is een van de gronden voor onze verantwoordelijkheid. Ik erken, bij alle mutaties die er in mij plaats vonden, dezelfde persoon te zijn als voor twintig jaar, en voor hetgeen ik lang. geleden deed gevoel ik me nu nog verantwoordelijk.

Het ik-bewustzijn is zoowel uit psychologisch als uit ethisch gezichtspunt voor ontwikkeling en versterking vatbaar. Het kleine kind dat pas leert spreken, duidt gewoonlijk eerst zichzelf aan in den derden persoon, b.v. Jan-drinken! Omstreeks het derde jaar gaat het ik zeggen.

Dat de mensch zich zelf als ik leert kennen en erkennen is een bewijs voor zijn hooge afkomst van oorspronkelijk te zijn een beelddrager Gods. Het wijst tevens op den diepen achtergrond, op den metafysischen drager van al zijn psychische toestanden, nl. de onsterfelijke ziel als geestelijke substantie.

De Heilige Schrift spreekt ook van een Ik bij den Heere onzen God. „Ik, de Heere, word niet veranderd, daarom zijt gij, o kinderen Jacobs, niet verteerd”. Dit is een ik in den allerhoogsten, in absoluten zin, en wijst aan de voor den mensch onbegrijpelijke persoonlijkheid Gods.

De wijsgeeren, vooral Fichte, spreken vaak van het absolute subject als het Ik, ter onderscheiding van het object dat gekend en gewild wordt als het niet-Ik. Bij de meesten is de onderscheiding van ik en niet-ik weer een onderscheiding in het Ik, wat een gevolg is van het pantheïstisch filosofisch standpunt.