Wat is de betekenis van Schelling?

1981
2021-01-25
zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Schelling

[sjel'lieng], Friedrich Wilhelm Joseph (1775-1854), een van de grootste Duitse wijsgeren uit zijn tijd, nauw verwant aan de Duitse Romantiek. Zeer oorspronkelijk denker, die een idealisme en een pantheïsme voorstond, waar hij een zeer persoonlijk stempel op drukte. In zijn latere jaren ging hij steeds meer in theosofische richting; zie th...

Lees verder
1973
2021-01-25
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

schelling

m. (-en), naam voor diverse vm. Ned. munten ter waarde van 6 stuiver. (e) De schellingen waren tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden gangbaar. Naar de beeldenaar onderscheidt men de arend-, hoedjes-, roos-, ruiter-, scheepjes-en snaphaanschelling.

1950
2021-01-25
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Schelling

m. (-en), eert. een zilveren muntstuk ter waarde van zes stuivers.

1949
2021-01-25
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Schelling

Oudned. zilveren muntstuk, 6 stuivers, of 30 cent. Schellinkje (fam.), goedkoopste (hoogste) plaatsen in theater e.d., die voorheen een schelling kostten; engelenbak.

1933
2021-01-25
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Schelling

➝ Pond (2°).

1926
2021-01-25
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Schelling

is als wijsgeer eerst te begrijpen, wanneer men kennis genomen heeft van de systemen van Kant en Fichte. Kant heeft ter verklaring van de algemeene geldigheid der natuurwetten positie genomen in het subject, in het Ik, in het Bewusstsein überhaupt. Fichte trok uit Kant’s standpunt de consequentie en liet heel de natuur een product zijn v...

Lees verder
1916
2021-01-25
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Schelling

Schelling - Zilveren muntstuk uit het oude Nederl. muntstelsel, dat de waarde van 6 stuivers of 96 penningen had. Ook andere staten uit het N.W. gedeelte van Europa hadden de s. Zoo b.v. Engeland een zilveren shilling, waard 1/20 p.St.; Denemarken een koperen skilling, waard 1/96 rijksdaalder; Zweden een zilveren (ook papieren) s., waard 1/48 rijks...

Lees verder
1910
2021-01-25
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Schelling

Schelling - een geslagen zilveren munt in verscheiden landen. Ook in ons land bestond vroeger de schelling, een muntstuk van 6 stuivers of 30 cent.

1898
2021-01-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schelling

Schelling - m. (-en), Oudned. zilveren muntstuk (= 6 stuivers of 30 cent). SCHELLINKJE, o. (-s), verkleinw. van schelling; (bij uitbr.) in eene komedie, gebouw enz. de laagste rang, waar voor eene plaats een schelling betaald wordt of werd, de engelenbak.

1870
2021-01-25
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Schelling

Onder dezen naam vermelden wij: Pieter van der Schelling, een verdienstelijk Nederlandsch geschied- en oudheidkundige, geboren in het laatst der 17de eeuw en den schoonzoon van Cornelis van Alkemade (zie aldaar). Hij promoveerde in de regten, voleindigde zijne studiën in de theologie en was vervolgens werkzaam als predikant te Nijmegen, Gorinchem e...

Lees verder