Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Maaltijd

betekenis & definitie

I. In eigenlijken zin.

Wanneer bij de Israëlieten de hoofdmaaltijd gehouden werd is niet met zekerheid vast te stellen. Sommigen meenen des middags.

Jozef laat zijn broeders eten „des middags” (Gen. 43 : 16, 25); Petrus wilde eten „op de zesde ure” (Hand. 10:9,10); Jezus werd door den Farizeër uitgenoodigd „aan het middagmaal” (Luc. 11:37; vgl. 14: 12). Voor den maaltijd des avonds spreekt 1 Kon. 17 : 6.

In Ruth 3 : 7, Luc. 17 : 7, Gen. 19 : 1, 31 : 54, Ex. 18 : 12 is de tijd bepaald door bezoek, arbeid enz., zoodat men niet aanstonds tot een vasten tijd voor den maaltijd besluiten kan maken. Volgens 1 Sam. 9 : 13 behoort het zegenen tot het offer.

Van een tafelgebed in den vorm van een dankzegging is meer dan eens sprake bij Christus (Matth. 14 : 19; 15 : 36), eveneens bij Paulus (Hand. 27 : 35) In vroegere tijden zat men bij den maaltijd (Gen. 27 : 19; Richt. 19 : 6). Waarschijnlijk was dit een hurken, I een zitten op samengevouwen beenen, zooals dat tegenwoordig nog wel voorkomt in het Oosten.

Later kwam in gebruik het liggen aan tafel. Men lag op kostbare tapijten, met de linkerhand het hoofd ondersteunende.

De plaats aan de rechterhand was de plaats des vertrouwens.

Zoo lag Johannes aan Jezus’ borst.

De rechtsliggende raakte met het achterhoofd de borst van den linksliggende. De tafels waren laag, wellicht bestonden ze slechts uit op de aarde uitgebreide lederen kleeden.

Messen, vorken, lepels gebruikte men niet. Men nam de spijzen met de hand uit den schotel.

Het vleesch kwam gesneden op de tafel en het brood werd in den schotel ingedoopt (Matth. 26 : 23). Daarom was het noodig, dat voor en na den maaltijd reinigingen plaats hadden.

In de dagen van den Heiland waren de wasschingen een voorschrift, dat niet nagelaten mocht worden, (Matth. 15:2). De maaltijd werd opgeluisterd door gezang en muziek (Jes. 5 : 12), door scherts (Richt. 14: 12) en ook wel bij vorstelijke maaltijden door dans (Matth. 14 : 6).

Maaltijden werden bij allerlei gelegenheden gehouden, bij het spenen der kinderen (Gen. 21 : 6), bij de bruiloft (Gen. 29 : 22), bij begrafenissen (Jer. 16 : 7), bij offeranden (Deut. 12 : 7), bij den wijnoogst (Richt. 9 : 29). De gasten werden vaak met een kus begroet (Luc. 7 : 45) en hun voeten gewasschen (Luc. 7:44), hoofd, baard en voeten werden gezalfd (Luc. 7 : 38, 46).

De gewoonte om kransen te dragen bij een feestmaal duidt Jes. 28:1 aan.

Er waren bijzondere eereplaatsen aan den maaltijd (1 Sam. 9 : 22).

De eerzuchtige Farizeën zochten immer de eereplaatsen aan de tafel. De Heiland bestraft die handelwijze (Luc. 14 : 7).

Een schoone instelling was (Deut. 16 : 11, 14), dat aan feestmaaltijden ook armen en vreemdelingen deel mochten nemen.Tot het houden van grootere gastmalen hadden de rijken en aanzienlijken bijzondere eetzalen. Aan tafel werden de gasten door den heer des huizes naar eene bepaalde rangorde geplaatst (Gen. 43 : 33; 1 Sam. 9 : 22; Luc. 14:8; Matth. 12 : 39; Joh. 13:28) en de portiën werden voorgelegd (1 Sam. 1 : 4 ; 2 Sam. 6:19; 1 Kron. 15 : 3). Aan die gasten, aan wie hij grootere eer wilde bewijzen, gaf hij grootere deelen (zoo Jozef aan Benjamin het vijfdubbele (Gen. 43 :34), en betere stukken, b.v. lenden- of schouderstukken (Ezech. 24:4; 1 Sam. 9:24). Bij groote gastmalen was een en ander opgedragen aan een bepaalden spijsmeester, architrilinos (Joh. 2 : 8). Dit was een eereambt, gewoonlijk door een vriend van den gastheer vervuld. Hoe meer gasten, des te grooter de roem van den gastheer, en te heerlijker het gastmaal (Gen. 29 : 22; 1 Sam. 9 : 22; 1 Kon. 1:9, 25; Luc. 5 : 29; 14 : 16).

Bij groote gelagen waren de geslachten gescheiden, tenminste bij de Perzen (Est. 1 : 9). Niet aldus, gelijk het schijnt, bij de wellustige Babyloniërs (Dan. 5:3). Bij de Israëlietische familiefeesten echter komen immer beide geslachten te zamen (Deut. 12: 12; Joh. 2 : 1; 12 : 3).

Bij zulke feestelijke maaltijden werden de kostbaarste spijzen en dranken (Joh. 2 : 1 v.v.; Amos 6:4; Tob. 8 : 21, beeldsprakig Ps. 23 : 5; Jes. 25 : 6), in de kostbaarste eet- en drinkschalen (Esth. 1 : 6 v.v.) opgedragen. Ongezuurde broodkoeken (Gen. 19 : 3) en een gebraden schaap (2 Sam. 12:4; Tob. 7 : 9), of kalf (Gen. 18 : 5 v.v.; Luc. 15:23), maakten in den ouden, eenvoudigentijd, gelijk nog heden ten dage bij de Beduïnen, de voornaamste bestanddeelen van den maaltijd uit. Nooit en nergens heeft in den ouden tijd bij de maaitijden zooveel uitgelatenheid geheerscht, als ten tijde der Apostelen bij de Grieken en vooral bij de Romeinen, terwijl de rijkere Joden ten tijde van Jezus het voorbeeld volgden, dat hun door hunne overheerschers, en vooral door de Herodianen gegeven werd (Matth. 14 : 6). Bij de heidensche volkeren in het Oosten ging allerlei ontucht met de offermaaltijden gepaard (Exod. 32 : 6; Num. 25 : 2), zoodat de wet er ernstig tegen waarschuwt (Exod. 34 : 15). Dit vond ook plaats in het weelderige Corinthe (1 Cor. 8 : 10 ; 10 : 20 v.) ; daarom waarschuwt Paulus daaraan geen deel te nemen, en bestraft alle wellustige drinkgelagen, nachtbraken en optochten ter eere van den wijngod Bacchus (Rom. 13 : 13; Gal. 5 : 21; Ef. 5:18).

II. In figuurlijken zin wordt de maaltijd als beeld gebruikt voor alle heilsweldaden, die de Heere in zijn Koninkrijk te genieten geeft aan zijn volk. Ps. 23 is daarvan een schoon bewijs. De Heere richt de tafel toe, en Hij maakt den beker overvloeiende. In Jes. 25 : 6 wordt gesproken van een vetten maaltijd, welken de Heere bereiden zal voor alle volken. In het Nieuwe Testament spreekt de Heiland in gelijkenissen over den maaltijd.

Het groot avondmaal, beschreven in Luc. 14 : 16, is niet het avondmaal des Heeren, maar is een beeldspraak voor alles, wat God in en door Christus aan Zijn volk te genieten geeft. Dat alles is een maaltijd.