Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Jezus

betekenis & definitie

I. Historisch

1. Voor de kennis van den Heere Jezus en Zijn omwandeling op de aarde, zijn we zoo goed als uitsluitend aangewezen op de Heilige Schrift, en wel het Nieuwe Testament, speciaal onze vier Evangelieverhalen.

Wel worden in de Oudheden van Jozefus een paar plaatsen gevonden, (in boek XVIII, en in boek XX), die over Hem spreken, maar op zulk een waardeerende wijze, dat het moeilijk is, ze als echt te beschouwen. En in de Rabbijnsche litteratuur wordt Hij wel gesmaad, wat getuigt van de historiciteit van Zijn optreden, doch ons verder weinig van Hem doet kennen. Tacitus schrijft, dat Hij door Pontius Pilatus ter dood gebracht werd. Maar dit verrijkt onze kennis van Hem niet. En wat apocriefe Evangeliën van Hem verhalen, berust deels op onze Evangelieverhalen, en is anderdeels fantasie of legende, of in elk geval onzeker.

Van de boeken van het Nieuwe Testament kunnen de brieven van den apostel Paulus, ofschoon de kennis van ’s Heeren werken en lijden en verhooging, bij de gemeenten en geadresseerden onderstellende, en niet geschreven om die kennis mede te deelen, desniettegenstaande doen zien, hoeveel hij van ’s Heeren Persoon en doen wist. Doch behalve een feit als Zijn verschijning aan Jacobus (1 Cor. 15:7) en anderen (vs. 6), en enkele woorden (1 Cor. 7 :10 ; 9 : 14 ; 1 Thess. 4 : 15; vgl. ook Hand. 20 : 25), vernemen we daaruit toch niets meer, dan hetgeen onze Evangelieverhalen aangaande den Heere en Zijn ambtsbediening op aarde mededeelen. Van hoog belang is het echter wel, mede door den vroegen tijd, waarop de apostel teruggaat in 1 Cor. 15 : 1 v.v., in den strijd tegen hen, die ’s Heeren historiciteit betwisten. Ook de andere brieven van het Nieuwe Testament, en de Openbaring aan Johannes, en de Handelingen der Apostelen, hoe waardevolle bevestiging zij ook meermalen geven mogen van hetgeen onze Evangelieverhalen betreffende den Heere Christus en Zijn aardschen levensloop djen weten, bieden daarnaast toch weinig of geen aanvullende kennis.

Daarom zijn onze vier Evangelieverhalen vrij wel alleen de bronnen voor de kennis van het zijn en werken van onzen Heiland op aarde.

2. Nu is het niet mogelijk, uit deze den tijd van Zijn vertoef op aarde, en den duur van Zijn openbare ambtsbediening nauwkeurig te berekenen, en den gang der gebeurtenissen precies aan te geven. Want zij bevatten niet alles, wat de Heere deed (Joh. 20 : 30; 21 : 25; vgl. Matth. 4 : 24; 11 : 4—5, 20—24; Marc. 1 : 39; 2 : 7—11; Luc. 4 : 31—32, e. a.), en geven ook niet strikt de geschiedkundige volgorde van het gebeurde weer (vgl. Luc. 4 : 16 met vs. 23; en vgl. Matth. 5—7 met Luc. 6 : 20 v.v.). Hun auteurs hebben uit al wat gedaan en gesproken is, en verhaald had kunnen worden, een keus gedaan, en dat geordend in samenhang met hun doel, ofschoon zij toch in groote lijnen de historische orde der gebeurtenissen bij hun verhaal volgen, en zich persoonlijk als borg stellen voor de waarheid van hetgeen zij mededeelen (Luc. 1 : 3—4). Die Evangelieverhalen vullen elkander aan. Wel zijn wij niet altoos in staat, op volkomen bevredigende wijze de ineensluiting van hetgeen zij bevatten, in het licht te stellen. Maar van wezenlijken onderlingen strijd tusschen die vier Evangelieverhalen, kan toch nergens gesproken worden.
3. Onze Heiland is geboren onder Herodes den Groote (Matth. 2). Deze koning is gestorven 4 jaren vóór den aanvang onzer jaartelling. Door foutieve berekening is het begin dier jaartelling in de zesde eeuw door Dionysius Exiguus enkele jaren (4, 5 of 6) te laat gesteld. De Heere is gekruisigd onder Pontius Pilatus (Matth. 27 : 2 e. a.). Zeer waarschijnlijk was dat op het Paaschfeest van het jaar 30 n. Chr. Anderen meenen het jaar 29 te moeten aannemen. Ook wordt nog wel een later, óf vroeger jaar gesteld. Dit staat in verband met de opvatting der gegevens, die ons te dezer zake ten dienste staan. Lucas nl. schrijft, dat onze Heiland opgetreden is omstreeks 30 jaar oud zijnde (Luc. 3 : 23). Hij kan dus iets ouder dan 30 jaar geweest zijn, 31, 32, 33. En dat optreden geschiedde dan in 26, óf 27 n. Chr. Nu zegt Lucas ook, dat tot Johannes den Dooper, die eenigen tijd vóór onzen Heere met zijn prediking aanving (Matth. 3 : 1 v.v., e.a.), het woord Gods geschiedde in het 15e jaar der regeering van keizer Tiberius (Luc. 3 : 1—2). Deze werd mede-regent met Augustus in 12 n. Chr., en bij diens dood in 14 n. Chr., alleenheerscher. Het is nu de vraag, of we dit 15e jaar moeten rekenen van 12, óf van 14 n. Chr. Veelal meent men het laatste, en krijgt dan 28 ó 29 n. Chr. Doch enkelen doen het laatste, en stellen den aanvang van Johannes’ werkzaamheid dus in het jaar 26, óf 27 n. Chr. Voor dit laatste pleit o a., dat Tertullianus schrijft, dat onze Heere revelatus (= geopenbaard) is in het 12e jaar van Tiberius, en gekruisigd in diens 15e jaar. Met dit „geopenbaard” zal wel ’s Heeren Doop bedoeld zijn. Daarmede worden als duur van ’s Heeren openbare ambtsbediening drie jaar aangegeven, en het jaar 26 genoemd als dat van Zijn optreden, en 29 als dat van Zijne kruisiging. In Joh. 2:20 zeggen de Joden tot den Heere: 46 jaren is over dezen tempel gebouwd. Met dien tempelbouw was Herodes aangevangen een 15-tal jaren vóór zijn dood. Is nu de Heere 1 k 2 jaar vóór Herodes’ dood geboren, dan was het Paaschfeest in Joh. 2 ook dat van 26, óf 27 n. Chr. En in verband met Luc. 3 : 1 is dan 27 het meest waarschijnlijk. Volgens Johannes vallen in den tijd van ’s Heeren arbeid en prediking onder het volk minstens drie Paaschfeesten (2 : 13—23; 6 : 4; 12 : 1). Doch waarschijnlijk moeten we bij Joh. 5 : 1 ook aan één der drie groote feesten der Joden denken, omdat men alleen voor de viering daarvan naar Jeruzalem moest optrekken, gelijk de Heere nu deed. Ook Joh. 4 : 35 wijst in die richting. Hoewel toch dat vers verschillend wordt verklaard, is de meest waarschijnlijke zin, dat het destijds nog vier maanden vóór den oogst was. Omdat nu de oogst met Paschen in April aanving (Deut. 16 : 9; Lev. 23 : 5—15), moet het toen minstens reeds December geweest zijn. In die maand viel het feest van de vernieuwing des tempels (Joh. 10 : 22). Maar dat kan in Joh. 5 : 1 moeilijk bedoeld zijn, omdat de Heere dan weinig anders gedaan zou hebben, dan uit Judea door Samaria naar Galilea trekken, om terstond daarop weer naar Jeruzalem terugtekeeren (Joh. 4 : 3—4, 43—46, 54; 5 : 1 v.v.). Tusschen December en Paaschfeest viel nog alleen het Purimfeest, één maand vóór Paschen (Esther 9 : 1), welk feest men echter niet te Jeruzalem behoefde te vieren. Hetzij men nu het feest in Joh. 5 : 1 als Paaschfeest neemt, óf als Pinksterfeest, óf als Loofhuttenfeest, in elk geval ligt dan tusschen het Paaschfeest in 2:13 v.v. genoemd, en dat, waarvan gesproken wordt in joh. 6 : 4, nog een Paaschfeest, zoodat er dan tusschen Joh. 2 : 13 v.v., en joh. 12 : 1 v.v., drie jaren verloopen zijn. Dit leidt tot de conclusie, dat het jaar 30 (of ook 29) dat van ’s Heeren kruisiging is geweest. Deze berekening vindt nog eenigen steun in het bekeeringsjaar van den apostel Paulus, die naar de meest aannemelijke opvatting 16 a 17 jaar (Gal. 1 : 18; 2 : 1) vóór het convent te Jeruzalem (Gal. 2 en Hand. 15) door den Heere staande gehouden en tot Zijn discipel en apostel geroepen werd, terwijl die samenkomst te Jeruzalem vrij waarschijnlijk plaats gehad heeft in 48 (óf 49) n. Chr.
4. De geschiedenis van ’s Heeren geboorte wordt ons verhaald door Mattheus (1), en breedvoeriger door Lucas (2), wiens mededeelingen blijkbaar van Maria zelve afkomstig zijn (Luc. 2 : 19). Zoowel Maria, als ’s Heeren broeders, hebben zich bij de gemeente aangesloten (Hand. 1 : 14; 15 : 13; vgl. 1 Cor. 15:7 en Gal. 1:19; 2 : 9), zoodat een ieder, die wilde, en ook Lucas (vgl. Luc. 1 : 3), later voldoende in de gelegenheid waren, omtrent ’s Heeren geboorte alles te vernemen, wat geschied was. Beiden geven Mattheus (1) en Lucas (3) de geslachtslinie over David en van Abraham af, terwijl Lucas haar voortzet tot Adam en diens schepping door God. In deze geslachtslijsten is in de namen tusschen Jozef en David veel verschil, dat men door aanneming van leviraatshuwelijken, of op andere wijze, heeft trachten te verklaren. De meest eenvoudige oplossing is wel, aan te nemen, dat Lucas den geslachtsboom over Maria geeft, en Mattheus dien over Jozef. Dat is ook daarom aanbevelenswaardig, omdat anders door het „alzoo men meende” van Luc. 3:23, het geven van die geslachtslijst daar eigenlijk als zonder zin wordt voorgesteld. Waartoe diende toch zulk een geslachtsregister, waarvan dan reeds bij den aanvang verklaard zou zijn, dat zij ten aanzien van den Heere slechts rustte op een onjuiste meening van menschen ? Bovendien is wel waar, dat de Heere bij het volk, dat van Zijne wonderbare ontvangenis niet wist, om Zijn pleegvader Jozef als Zone Davids kon gelden (Matth. 12 : 23; 15 : 22; Joh. 6 : 42 e. a.), en ook rechtens op dien titel aanspraak had (vgl. Deut. 25 : 5—6); maar met het oog op Gods belofte aan David (2 Sam. 7 : 12—16), woorden als die van den apostel Petrus (Hand. 2 : 30—31), en van den Hebreërbrief (7 : 14) en van den apostel Paulus (2 Tim. 2:8; Rom. 1 : 3), en de vervulling van Gods profetieën ten aanzien van den Heere Christus ook tot in het letterlijke en kleine (Matth. 21 : 1—7; Joh. 13 : 18-26; 19 : 28—30 e. a.), moet wel aangenomen worden, dat ook Maria van David afstamde, al zegt Lucas dat niet uitdrukkelijk (2 : 4), en dat de Heere door haar ook metterdaad vleeschelijk een Zoon van David was.

Zijne ontvangenis uit den Heiligen Geest wordt door Mattheus (1 : 18—25, ook ondanks een andere lezing van vs. 16 in een Syrisch handschrift) en Lucas (1:26—56) duidelijk geleerd. En daarop wordt in Joh. 1 : 13 gezinspeeld (en volgens een andere lezing zelfs er van gesproken), en in Gal. 4 : 4 waarschijnlijk gedoeld. — God deed door Zijn engel Gabriël de heilige ontvangenis van Zijnen Zoon uit den Heiligen Geest aan Maria te Nazareth aankondigen (Luc. 1 :26—38), waarop Maria naar Elizabeth, die aan haar verwant was (Luc. 1 : 36), ging (Luc. 1 : 39), door wie zij begroet werd (Luc. 1 : 40—45), en bij wie.zij haar lofzang zong (Luc. 1 : 46—55). Na zes maanden keerde zij terug naar haar huis (Luc. 1 : 56); en tóen zal geschied zijn wat Matth. (1 : 18—24) verhaalt: dat nl. Jozef dacht den band der verloving met Maria te verbreken, maar in den droom door Gods engel beter onderricht werd. Mattheus spreekt hierbij wel niet van Nazareth. Maar daardoor wordt toch, evenmin als door wat hij in 2 : 22—23 schrijft, uitgesloten, dat Jozef reeds destijds in Nazareth woonde.

Augustus’ gebod inzake de beschrijving noodzaakte Jozef en Maria naar Bethlehem te gaan (Luc. 2 :1—5), waar de Heere Christus, in overeenstemming met Micha’s profetie (Mich. 5:1; Matth. 2 : 5—6) geboren werd, en neergelegd in een krib (Luc. 2 : 6—7) en door een engel aangekondigd aan herders (Luc. 2 : 8—12), en met lofgezang begroet door een groote heirschare engelen (Luc. 2 :13—14), en gevonden door de herders (Luc. 2 : 15—20).

Door zijn besnijdenis den 8sten dag (Luc. 2:21), ging Hij feitelijk reeds het lijden om onzer zonden wil in, waarom Hij toen ook den naam van Jezus ontving. Want met de ontvangst dier besnijdenis aanvaardde Hij reeds metterdaad den ondergang in den dood om onzentwil, en kwam Hij reeds uit als Plaatsbekleeder voor anderen: dus voor hetgeen Hij was en Zich betoonen zou (Matth. 1 : 21): Jezus, Jozua (Num. 13: 16; Zach. 3 : 1), de Man door Wien de Heere redding bewerkt, de God met ons. — Op den 40sten dag (Lev. 12) naar Jeruzalem gebracht en in den tempel den Heere voorgesteld (Luc. 2 : 22—24), werd Hij daar begroet door Symeon (Luc. 2 : 25—32), die ook van Zijn lijden sprak tot Maria (Luc. 2 : 33—35), en werd Hij eveneens begroet door de oude Anna (Luc. 2:36—38). — Blijkbaar zijn Jozef en Maria met het kindeke daarop van Jeruzalem naar Bethlehem teruggekeerd, en zijn daar vervolgens de wijzen uit het Oosten gekomen, om den geboren Koning Israëls te begroeten (Matth. 2 : 1—12), waarop naar Goddelijke aanwijzing de vlucht naar Egypte volgde (Matth. 2:13—15), omdat Herodes het Kindeke zocht te dooden, en daartoe den kindermoord te Bethlehem bedreef (Matth. 2 : 16—31). — Later uit Egypte teruggekomen, ging Jozef met de zijnen volgens een openbaring in den droom, teNazareth wonen (Matth. 2:22—23), waar onze Heiland opgegroeid en opgevoed is (Luc. 2 : 39v.v.; 4 : 16), waarom Hij ook Jezus van Nazareth (Matth. 21 : 11; Joh. 1 : 45), en Jezus Nazarenus (Marc. 1 :24 e.a.) genoemd werd. Het grondwoord in Matth. 2 : 23, Nazoraeus, is etymologisch wellicht afgeleid van een anderen stam, maar zal in den volksmond (Matth. 26 : 71; Joh. 18 : 5 e.a.) wel dezelfde beteekenis gehad hebben als Nazarener.

5. Van ’s Heeren jeugd en opvoeding wordt ons in de Heilige Schrift weinig geopenbaard. Zijn ouders zullen Hem van zijn prilste jeugd (vgl. 2 Tim. 3 : 15) in de Heilige Schrift onderwezen, en Hem van God en Zijn daden van ouds, speciaal met Israël en zijn stamvaders, verteld hebben, zij het ook, dat zij om de kosten zich misschien niet een volledige Heilige Schrift (des Ouden Testaments) hebben kunnen aanschaffen. Van het eerste ontwaken van hun bewustzijn leerden de kinderen der Joden, volgens Jozefus, de Wet nauwkeurig, zoodat zij die als in hun zielen ingegrift hadden. Onze Heiland bezat althans als 12-jarige Knaap reeds zulk een kennis van, en inzicht in, de Heilige Schrift, dat te Jeruzalem in den tempel allen die Zijn vragen en antwoorden, terwijl Hij in het midden van leeraren gezeten was, hoorden, zich ontzetten over zijn verstand, dat daarin aan het licht kwam. Op 5-jarigen leeftijd kon Hij mede naar de synagoge (vgl. Luc. 4 : 16) gaan. En dat zal Hij wel steeds met groote trouw en leergierigheid gedaan hebben. Voorzoover Hem dat mogelijk was, zal Hij ook zelf de Heilige Schriften gelezen en onderzocht hebben. Hij bleek er later in thuis als geen ander (Matth. 12 : 3—7; 21 : 16; 22 : 31—33, e.a.), ook wat het bestaan ervan betreft (Matth. 4 : 4—10; 5 : 21—48; Luc. 24 : 25— 27 e.a.). Toch heeft Hij nooit wat wij noemen speciale opleiding en hooger onderwijs inzake de Heilige Schrift ontvangen (Joh. 7 : 15). Op 12-jarigen leeftijd ging Hij mede op naar Jeruzalem voor de viering van Pascha (Luc. 2:41 — 52), wat Hij sedert wel steeds gedaan zal hebben. En gelijk Hij dien eersten keer de gelegenheid zocht en benutte, kennis der Heilige Schrift op te doen, zoo zal Hij wel altoos, èn te Jeruzalem, èn in de synagoge te Nazareth, met alle inspanning zich toegelegd hebben, om maar zooveel mogelijk van gelegenheden partij te trekken, waardoor Hij verstand van de Heilige Schrift kon bekomen. Blijkens Zijn gelijkenissen heeft Hij ook opmerkzaam en nauwkeurig nagegaan, wat er in huis (Matth. 13 : 33; Luc. 15 :8—10), en op het veld (Matth. 13 : 3 v.v.) gebeurde, hoe de vogelen leefden (Matth. 6 : 26), en de bloemen groeiden (Matth. 6 : 28—30), wat er in de menschelijke samenleving voorviel (Luc. 11 : 5—8; 16 : 19 v.v.; 18 : 1—5, e. a.). Voorts heeft Hij het bouwvak geleerd (Marc. 6:3; vgl. Matth. 7 : 24—27), gelijk Jozef dat beoefende (Matth. 13 : 55). Ofschoon de Zone Gods, heeft Hij toch een ware menschelijke ontwikkeling doorgemaakt, zoowel naar ziel en verstand, als naar lichaam (Luc. 2 : 40, 52), al kunnen wij ons die niet helder voorstellen.
6. Reeds op jeugdigen leeftijd heeft Hij besef en wetenschap gehad van Zijn bizondere verhouding tot God (Luc. 2 : 49). Hij was de Zone Gods. Die werkelijkheid moet ook wel zeer spoedig, en daarna aldoor duidelijker, tot Zijn menschelijk bewustzijn doorgedrongen zijn. Op welke wijze, ontgaat ons. Omdat die realiteit bij ons allen gemist wordt: niemand anders dan alleen Hij is Gods eeniggeboren Zoon; en omdat wij ook van onszelf niet eens weten, wanneer en hoe wij in onze jeugd tot ons zelfbesef gekomen zijn. Uit die kennis van Hemzelven als Gods Zoon (Luc. 2 : 49) vloeide vanzelf voort kennis van een speciale zending of roeping hier op aarde. Wist Hij te bestaan, reeds voordat Hij op aarde geboren werd, dan was daarmede ook gegeven het besef van een eigen wijze en doel van dat geboren-worden. Het lezen der Heilige Schrift, en het doorzien van Israëls ceremonieelen en tempel- of offerdienst, heeft Hem Zijn roeping helpen verstaan. Ook Zijn Messiasbewustzijn is reeds in jonge jaren ontwaakt, om vervolgens tot steeds klaarder helderheid te komen, mede door overdenking van de Heilige Schrift, en wat God aan Israël geschonken had. En niet eerst bij den Doop, noch zelfs later en allengs door Zijn levensgang en den tegenstand, waarop Hij stuitte, heeft Hij vernomen en leeren inzien, dat Hij de van ouds door God beloofde Messias was, en Zijn leven zou moeten geven in den dood. Reeds Zijn besnijdenis stelde Hem dat voor oogen, waar Hij in Zichzelven rein en zonder schuld was, en dus van Zichzelven niets afteleggen had.
7. Toen Johannes met zijn prediking en Doop optrad (Matth. 3 : 1—12, e.a.), en allengs uit het gansche land (Matth. 3:5; Luc. 3 : 21a) het volk naar hem henenging om gedoopt te worden, is ook de Heere tot hem gekomen om den doop te ontvangen (Matth. 3:13—17 e. a.). Toen Hij geen eigen zonden te belijden had, weigerde Johannes Hem te doopen, en zeide zelf door Hem gedoopt te moeten worden (Matth. 3 : 14). Maar toen de Heere daarna wees op Gods verordening, gaf Johannes toe, en doopte hij den Heiland (Matth. 3 : 15). Hierop openden zich de hemelen, en daalde de Heilige Geest in de gedaante van een duif op den Heere neder, en hoorde Hij uit den hemel van Zich zeggen: Deze is mijn geliefde Zoon, in Wien Ik mijn welbehagen heb (Matth. 3 : 16—17), of tot Zich zeggen: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in U heb Ik mijn welbehagen (Marc. 1 : 9—13; Luc. 3 : 21—22). Zakelijk maakt dit geen verschil, omdat dit woord zoowel voor den Heere Zelven, als voor Johannes, die ook den Heiligen Geest op Hem zag nederdalen (Joh. 1 : 29—34), bestemd was. Johannes moest die nederdaling des Geestes op den Heere zien, en die woorden hooren, om te weten, Wien hij aan het volk als den van God gezonden Messias moest aanwijzen (Joh. 1 : 33). Aan den Heere echter geschiedde daarmede geen openbaring van hetgeen Hij tevoren nog niet zou geweten hebben (Luc. 2 : 49). Maar Hij was in het bewustzijn van eigen zondeloosheid, en met de wetenschap, de van God beloofde en gezonden Messias te zijn, tot Johannes en zijn Doop gekomen (Matth. 3 : 14—15), met het doel om met dien Doop Zijn Messiasarbeid op Zich te nemen. Hij had voor Zich geen behoefte aan dien Doop. Hij was rein en heilig. Dat Hij Zich echter nu desniettegenstaande toch doopen liet door Johannes, was de zichtbare betooning, dat Hij Zich naar Gods roeping tot Hem, met Gods zondige volk vereenigde, en de schuld en zonde van dat volk op Zich nam, en daarvoor in den dood wilde ondergaan, gelijk Hij indaalde onder het water, als ware hij onrein. Daarmede sprak hij uit, de roeping door God tot plaatsbekleedenden Borg voor Gods volk, en wat deze roeping aan lijden en dood voor Hem medebracht, te aanvaarden, en Zijnerzijds te willen doen, en metterdaad reeds aan te vangen, datgene, waartoe God Hem in de wereld gezonden had. En deswege kroonde God Hem nu met de volle toerusting Zijns Geestes, en riep Hij het uit, voor Hem Zelven en voor Johannes, en voor de geheele wereld, dat zoo, gelijk Hij daar bereidwillig en gehoorzaam Zich gaf aan Zijn Messiasarbeid en den Messiasondergang in den dood voor de onreinheid en schuld van Gods volk, Zijn welbehagen naar Hem uitging, en op Hem rustte, en Hij op die wijze als Zijn Zoon Zich openbaarde, en door Hem als Zijn Geliefde en eenige Zoon erkend werd (vgl. Joh. 14 : 9).
8. Nu moest Hij dan ook terstond de proef doorstaan, en den kamp met den duivel aanvaarden. De verzoeking kwam (Matth. 4: 1—11, e. a.), waarin de satan zich juist aansloot aan Gods woord van, en tot onzen Heiland (Matth. 4:3; vgl. 3 : 17). Was de Zone Gods gekomen om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3 : 8), dan moest Hij eerst den satan zelven overwinnen, om vervolgens hem zijn vaten te ontrooven (Matth. 12 : 29). Het ging bij deze verzoeking om het recht Gods, en de schuld van den mensch. De mensch was gevallen door satans verleiding (Gen. 3:1—6). Was dat echter geschied tengevolge van een gebrek in ’s menschen schepping, zoodat hij onder die omstandigheden wel noodzakelijk voor satans verleiding had moeten bezwijken ? Dan kwam de schuld van dien val eigenlijk voor rekening van zijn Schepper. Of had die val zijn oorzaak enkel in den mensch zelven, en het welbewuste verkeerde gebruik van zijn wil en krachten ? Dan was de mensch ten volle aansprakelijk, en dan was God zonder schuld. Hoe moest dat geschil nu beslecht worden ? Doordat de proef herhaald werd. Maar nu plaatste God Zijn Messias in veel ongunstiger positie. Adam en Eva hadden aan niets gebrek, en van alles overvloed. De verboden vrucht hadden zij op geenerlei wijze noodig. Slechts het willen overtreden van Gods gebod zou hen er toe kunnen brengen, haar te nemen. Dankbaarheid moest er hen van terughouden, evenzeer als Gods uitdrukkelijke en klare verbod. De Heere Christus had als aan alles gebrek. Veertig dagen en veertig nachten ontbeerde Hij alles. Ten laatste deed de honger zich met kracht in Hem gevoelen (Matth. 4 : 2 e.a.). Hij verkeerde in een woeste plaats, waar alles sprak van vloek en verschrikking (Marc. 1 :13). Een en ander scheen volkomen in tegenspraak met Gods woord tot Hem bij den doop (Matth. 3 : 17). In die omstandigheden kwam satan zelf, in eigen persoon, om aan te vallen met de meest plausibel schijnende en krachtigste verleiding. Desondanks echter bezweek de Heere niet. Hoewel de proef veel zwaarder was, dan de mensch in het Paradijs te doorstaan had, viel de Heere Christus niet. Daaruit bleek, dat ’s menschen val in het Paradijs dus niet lag aan de menschelijke natuur en den toestand, waarin zij zich toen bevond, maar uitsluitend aan den mensch zelven, die had willen zondigen, en daarom gevallen was. Diezelfde menschelijke natuur, in veel slechter conditie verkeerende, viel niet, toen zij maar recht gebruikt werd door den Zone Gods. De zonde in het Paradijs, en alle menschelijke zonde, ligt dus op geenerlei wijs voor Gods rekening, alsof Hij den mensch niet goed geschapen had, met eenig gebrek, maar enkel en alleen voor die des menschen (Rom. 8:3). Zoo was dan Gods straf rechtvaardig. Zoo straalde dan Gods liefde, dat Hij desniettemin redding voor dien schuldigen mensch bestelde schitterend uit. Deze verzoeking kon den Heiland daarom ook niet gespaard worden. Zij vormde een onmisbaren schakel in den keten van het verlossingswerk des zondaars door Gods genade in Christus. Het was dan ook God Zelf, de Heilige Geest, die onzen Heiland in de woestijn voerde, om door den duivel verzocht te worden (Matth. 4:1e. a.). Na een vasten van 40 dagen en nachten, gedurende welke de Heere Zich ongetwijfeld verdiept heeft in Zijn roeping en in hetgeen Hij in gehoorzaamheid aan deze doen moest, ondergaan zou, en tot stand zou brengen, deed zich ten slotte de behoefte aan spijs zoo krachtig gelden, dat de Heere den honger wel moest voelen (Matth. 4: 2). En toen kwam de satan tot Hem, om Hem in verband met dien nood tot ongehoorzaamheid te willen verlokken. Als Zoon van God, zooals God Zelf Hem genoemd had, had Hij toch wel de macht Zich te helpen (Matth. 4:3); gezwegen nog daarvan, dat deze toestand van ellende wel zeer in strijd scheen met die Goddelijke verklaring (3 : 17). Maar de Heere viel niet, doch bleef Zich volstrekt van God afhankelijk, en aan Zijn bevel onderworpen verklaren, zonder tot eigen redding ook maar iets te willen doen tegen Gods wil, ook al zou Hij er bij te gronde moeten gaan (Matth. 4:4). Bij de tweede verzoeking wilde satan den Heiland doen gelooven, dat Hij Zich als Gods Zoon, op grond van Gods eigen woord, alles mocht veroorloven tot eigen verheerlijking (Matth. 4: 5—6). Maar de Heere wees aan, dat Schrift met Schrift vergeleken moet worden, om ze niet te misbruiken, en weigerde een eigenwilligen weg in te slaan (Matth. 4 : 7). Met de derde verzoeking kwam de satan duidelijk met zijn bedoeling voor den dag. Als de Heere hem maar aanbad, ontving Hij van hem zonder strijd datgene, waarvoor Hij anders zulk een bangen lijdensweg zou moeten afloopen (Matth. 4 : 8—9). De Heere behoefde dus dat lijden niet te ondergaan, wilde satan zeggen. Daar was een veel gemakkelijker weg tot hetzelfde doel. Hem, satan, even aanbidden, en de geheele wereld lag aan ’s Heeren voeten, om er mee te kunnen doen, wat Hij wilde. Van strijd dan geen sprake. Satan zou zich dan niet tegen Hem verzetten, maar integendeel juist al de koninkrijken der geheele wereld aan Hem overgeven. Met verontwaardiging echter slingerde de Heere onverwijld den satan van Zich af (Matth. 4 : 10), om een Heiland te willen zijn alleen naar Gods hart en bestel. En vandaar dat de satan zich voortaan in verwoedheid tegen Hem stellen zou, zoo verschrikkelijk hij kon (blijkens Gethsemane en Golgotha). Maar de engelen Gods kwamen nu toe en dienden den Heere, d.i. voorzagen Hem van hetgeen Hij behoefde, verzorgden Hem (Matth. 4:11; Marc. 1 : 10—13). Bij Lucas (4 : 1—13) komen de tweede en de derde verzoeking in andere volgorde voor (4 : 5—11), misschien door hem aldus gerangschikt om de gedachte uit te drukken: eerst de verzoekingen, die verlossing van lijden — op dat oogenblik (4:3) en in de toekomst (4:5—6) — in uitzicht stelden, en ten laatste, die tot zelfverheffing prikkelen moest (4:9—11). In elk geval schijnt de volgorde de verzoekingen in Matth. 4 de historische (vgl. Matth. 4 : 10). Omdat er bij deze verzoekingen niemand bij den Heere tegenwoordig geweest is, moet Hij Zelf die aan Zijn discipelen medegedeeld hebben, denkelijk in de 40 dagen tusschen opstanding en hemelvaart (Hand. 1 : 3—9; vgl. Joh. 16: 12), toen zij door die opstanding Hem beter hadden leeren kennen, en daardoor ook het verhaal van die verzoekingen konden „dragen”. Hieruit volgt, dat de Heere den satan tot Zich heeft zien komen en hooren spreken, en dat Hij Zich bij die verzoeking geweten en gevoeld heeft in de hand van satan, die Hem tot op zekere hoogte kon doen hooren en zien, wat hij wenschte, en plaatsen, waar hij voor zijn verzoeking begeerde (Matth. 4 : 5, 8); ofschoon wij de vraag naar de wijze dezer gebeurtenis (vgl. Matth. 4 : 8) niet verder kunnen beantwoorden.
9. In de Evangelieverhalen van Mattheus en Marcus en Lucas wordt slechts van één Paaschfeest tijdens ’s Heeren openbare ambtsbediening gesproken, het Pascha van Zijn lijden (Matth. 26 : 17 v.v.; Marc. 14 : 1; Luc.22 : 1). Daaruit zouden we den indruk kunnen ontvangen, dat die ambtsvervulling slechts één jaar geduurd heeft; zooals er in de eerste eeuwen velen waren, die dat meenden, in verband ook met Jes. 61 : 2: „het jaar des heils” (vgl. Luc. 4 : 19); en gelijk er in de latere jaren wederom verdedigers van die opvatting zijn opgestaan. Dan zou onze Heiland maar eenmaal naar Jeruzalem zijn heengegaan, dien laatsten keer. Daar tegen pleit echter het „hoevele malen” van Matth. 23 : 37 (vgl. ook Luc. 13 : 34), alsmede Luc. 10 : 38—42 (vgl. Joh. 11 : 1 v.v.). Ook doen Marc. 2 : 23 en 6 : 36 aan den tijd omstreeks Paschen denken. Doch in het Evangelie naar Johannes wordt wel duidelijk, dat we minstens aan ruim twee jaren, en waarschijnlijk aan ruim drie jaren denken moeten als duur van ’s Heeren publieke werkzaamheid in Kanaan (vgl. onder 3). Dit laatste staat in verband met de vraag, of in Joh. 5 : 1 één der drie groote feesten gemeend wordt. Zoo ja, dan ligt tusschen Joh. 4 : 35 en Joh. 6 : 4 een tijd van ongeveer 16 maanden. Nu verhaalt Johannes uit dien langen tijd maar zeer weinig (Joh. 4 : 35—6:4). Doch wanneer wij er mee rekenen, dat hij schrijft, zeer veel te hebben kunnen mededeelen (Joh. 20 : 30; 21 : 25); en daarmede rekenen, dat hij blijkbaar de kennis der andere Evangelieverhalen veronderstelt (Joh. 3 : 24; 18 : 13 e.a.), dan verwondert ons dit niet. Dan is er geen aanleiding, te meenen, dat bij het overschrijven de hoofdstukken 5 en 6 van Johannes’ Evangelieverhaal omgewisseld zijn, voor welke meening ook geen grond in de handschriften aanwezig is; noch om te beweren, dat er geen stof voor de 16 maanden van Joh. 4 : 35 tot 6 : 4 aanwezig is. Want dan valt in dien tijd al wat Mattheus verhaalt in 4 : 12—14 : 13 (vgl. Marc. 1 : 14—6 : 34; Luc. 4 : 14—9 : 11), terwijl ook de andere Evangelisten niet alles mededeelen wat geschied, gesproken, en gedaan is (vgl. onder 2).

Wanneer de Heere dan ruim drie jaren in Kanaan heeft gepredikt en Zijn wonderen gewerkt, kunnen we dezen tijd in onderscheiden tijdperken indeelen. Het eerste is dat van Zijn Doop (Matth. 3 : 13—17, e.a.) tot het Paaschfeest in Joh. 2 : 13 v.v. Dat omvat een tijd van plm. 4 maanden. Daarin valt Zijne verzoeking (Matth. 4: 1—11, e.a.), Zijn wederkeer naar Johannes, en verkrijging Zijner eerste 5 of 6 discipelen (Joh. 1 : 29—52), Zijn heengaan naar Galilea (Joh. 1 : 43), en Zijn verandering van water in wijn op de bruiloft te Kana (Joh. 2 : 1—11), en het gaan van Hem en Zijn verwanten naar Kapernaüm (Joh. 2 : 12), en Zijn opgaan naar Jeruzalem (Joh. 2 : 13 v.v.).

Het tweede loopt van Joh. 2 : 14 tot Joh. 4:35, en heeft een duur van ongeveer 8 maanden (vgl. onder 3). Uit dien tijd wordt verhaald Zijn tempelreiniging (Joh. 2 : 13—22), wonderen te Jeruzalem (Joh. 2 : 23—25; vgl. 4:45), gesprek 'met Nicodemus (Joh. 3 : 1—21), werken in Judea (Joh. 3 : 22—24), gaan door Samaria naar Galilea, en gesprek met een Samaritaansche vrouw (Joh. 4 : 1—45). Het wonder te Kana van de verandering van water in wijn was meer alleen voor Zijn discipelen (Joh. 2 : 11). Eerst met die tempelreiniging trad Hij, in overeenstemming met de profetie (Mal. 3:1), op onder het volk. Ook de andere Evangelisten verhalen een tempelreiniging (Matth. 21 : 12 v.v., e. a.), maar tegen het laatste Paaschfeest. Velen nemen slechts ééne tempelreiniging aan, hetzij dan aan het begin, hetzij aan het eind van ’s Heeren openbare ambtsbediening op aarde.

Maar het laat zich alleszins denken, dat de Heere Zijn publieken dienst begonnen is met het reinigen van den tempel (vgl. Mal. 3 : 1), en dat Hij aan het eind nogmaals den tempel heeft gereinigd, maar als tot onwrikbare vastzetting van Zijn vijanden in het besluit om Hem te dooden (Marc. 11 : 18). Van den arbeid in dit tweede tijdperk maakt alleen Johannes melding, de andere Evangelisten niet. Hij had uitsluitend plaats in Judea, niet in Galilea. Van ’s Heeren Doop tot Zijn gaan door Samaria naar Galilea is omstreeks een jaar. Denkelijk heeft Zijn verlaten van Judea, om naar Galilea te gaan (Joh. 4:3), in verband gestaan met Johannes’ gevangenneming door Herodes (Matth. 4 : 12 e.a.), en waarschijnlijk ook met opkomend verzet der Farizeën tegen Hem (vgl.

Joh. 4:1). — Een derde periode strekt zich uit over (vermoedelijk) ruim vijf kwart jaar, van December (Joh. 4 : 35), tot het tweede daarop -volgende Paaschfeest (Joh. 6 : 4). Uit dien tijd verhaalt Johannes zeer weinig (genezing van den zoon van den koninklijken ambtenaar te Kapernaüm, Joh. 4 : 46—54, en van den 38 jaar langen kranke te Jeruzalem, met het gesprek des Heeren naar aanleiding daarvan, met de Joden, Joh. 5). Maar de andere Evangelisten vermelden uit dat tijdperk veel meer (Matth. 4 : 12—14: 13; Marc. 1 : 14— 6 : 34; Luc. 4 : 14—9 : 11). De Heere werkte toen bijna uitsluitend in Galilea, terwijl Hij te Kapernaüm Zijn thuis had (Matth. 4 : 13; vgl. 9 : 1). Nu schrijft Mattheüs, dat de Heere te Kapernaüm inkwam, in 8 : 5, en in 9 : 1, terwijl Hij blijkbaar ook weer in deze stad was 12 : 46 (vgl. 13 : 1). Dat maakt den indruk, dat Hij gedurende deze 16 maanden minstens drie reizen door Galilea heeft gemaakt, om dan telkens naar Kapernaüm terug te keeren.

Deze voorstelling geven ook Marcus (1 : 21; 2 : 1 ; 3 : 20; 5 : 21), en Lucas (4 : 31 ; 5 : 17; vgl. Matth. 9:1; Luc. 7 : 1 ; 8 : 40). Doch het gaat moeilijk, met zekerheid al het door de Evangelisten uit dit tijdperk verhaalde, zijn juisten tijd en juiste plaats aantewijzen. De spijziging der 5000 sluit deze periode af. Die vormt een keerpunt. Tot die spijziging is het met den Heere in de volksschatting en volksvereering steeds hooger gegaan.

Na die wonderbare spijziging willen de scharen Hem zelfs met geweld nemen en koning maken (Joh. 6 : 15). Maar als de Heere dat weigert en voorkomt, wendt het volk zich van Hem af (Joh. 6 : 26 v.v.), en gaan ook velen van Zijn discipelen terug (Joh. 6 : 66, vgl. vs. 67), en onttrekt Hij Zich vervolgens meer aan het volk, om naar de streken van Tyrus en Sidon te gaan (Matth. 15:21 v.v., e.a.), Zich in Decapolis op te houden (Marc. 7 : 31 v.v.), de deelen van Caesarea Filippi op te zoeken (Matth. 16 : 13 v.v., e.a.), en meer de twaalven te onderwijzen, ook aangaande Zijn toekomstig lijden (Matth. 16 : 21, e. a.).

Het vierde of laatste tijdperk loopt van Paaschfeest (Joh. 6 : 4) tot Paaschfeest (Joh. 11 : 55), en heeft dus den duur van een jaar. Het wordt door t het Loofhuttenfeest van Joh. 7 : 2 in twee gelijke deelen verdeeld. In de eerste helft is de Heere, zooal niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk, in Qalilea en de Noordelijke en Oostelijke streken van Kanaan (Matth. 15—18; Marc. 7—9). Met dat Loofhuttenfeest trekt Hij weer naar Jeruzalem (Joh. 7 : 10—10 : 21). Daarna schijnt Hij nu eens in Qalilea geweest te zijn (Luc. 9 : 51 v.v.; 13 : 1 v.v.; 17 : 1 v.v.), dan eens in Judea (Luc. 10 : 38—42), en te Jeruzalem, waar Hij althans was op het feest van de vernieuwing des tempels in December (Joh. 10:22 v.v.), en vervolgens in het Overjordaansche (Joh. 10 : 40—42), te Bethanië (Joh. 11:7 v.v.), en Noordelijk in Judea bij Efraïm (Joh. 11 :54), om eindelijk uit het Overjordaansche over Jericho (Matth. 20 : 29 v.v.; Marc. 10 : 46 v.v.; Luc. 18 : 35 v.v.) naar Jeruzalem te gaan, en daar gegrepen, veroordeeld en gekruisigd te worden. In die laatste periode is Hij nog al heen en weer gereisd, schijnt het, naar en van Judea en Jeruzalem, Galilea, het Overjordaansche.

Daarmede kan het samenhangen, dat Lucas driemaal spreekt van Zijn opgaan naar Jeruzalem (Luc. 9 : 51; 13 : 22; 17 : 11). De precieze aanwijzing van den tijd en de plaats der uit dit tijdperk verhaalde gebeurtenissen is wederom niet gemakkelijk, inzonderheid ook vanwege Lucas’ verhaal (9 : 51—18 : 34). Aan het eind van dit tijdperk en van ’sHeeren openbare ambtsbediening op aarde komt dan eindelijk de week des lijdens.

10. ’s Heeren arbeid was gedurende al dezen tijd: Evangelieprediking en wonderwerking (Matth. 4 : 23; 11 : 5; Hand. 1 : 1). Zijne prediking geschiedde met autoriteit, op een andere wijze dan die der Schriftgeleerden (Matth. 7 : 28—29), zoodat de scharen het onderscheid opmerkten, en voelden, in Hem meteen Godsman te doen te hebben (Marc. 1 : 22), en de dienaars van Overpriesters en Farizeërs, uitgezonden om Hem gevangen te nemen, hun last niet konden volvoeren vanwege overweldiging door Zijn woord (Joh. 7 : 45—46).

Hij ontvouwde den rechten zin der wet (Matth. 5: 21 v.v.; 12 : 7), op wier beginsel Hij terug ging (Matth. 22 :37—40; 12 : 7), en wees de Godsopenbaring in het rijk der natuur aan (Matth. 6 : 25 v.v.), nam het menschenleven, om daaruit leering in betrekking tot het koninkrijk der hemelen aan te wijzen (Matth. 13; Luc. 15e.v.), deed Zichzelven zien als den Vervuiler en de vervulling van Israëls schaduwdienst en wet, en van Gods profetie aangaande den Messias, en het heil door dezen (Matth. 5 : 17; 10 : 35; 11 : 5—6, 10 v.v.; 21 : 16; 26 : 31, 64; Luc. 4 : 17—27; Joh. 3 : 14; 6 : 53v.v., e.a.), en vestigde het oog op Zijn werken als de blijken van Zijn Messianiteit (Matth. 11 : 4-6; 12:28; Joh. 5: 36; 14:9—11). Hij bracht het koninkrijk Gods (Marc. 1 : 15) of der hemelen (Matth. 5 : 3), dat als vernieuwende en vredewerkende Godsregeering zich reeds nu in de harten gelden doet (Matth.5:3; Luc. 17 : 21), maar naar zijn volheid van heilswerking eerst openbaar wordt aan het eind der eeuwen (Matth. 25 : 34; 5 : 4—10). In Zijn gelijkenissen, die Hij begon voor te stellen, toen het volk reeds getoond had, zijn voorafgaande prediking niet aan te nemen (Matth. 13 : 10 v.v., e.a.), en waarmede Hij die prediking voor Zijn discipelen en geloovigen verduidelijken, maar voor de anderen, deels tot straf, deels opdat zij zich niet nog schuldiger zouden kunnen maken (Marc. 4 : 11-12; Joh. 12 : 36-40; Matth. 11 : 25—26), omsluieren en verbergen wilde (Matth. 13 : 11—16), doet Hij den aard, de komst, de ontwikkeling, en de toekomst van dat koninkrijk zien (Matth. 13; Marc. 4, e.a.). Deel in dat koninkrijk hangt af van geloof en gehoorzaamheid aan Zijn woord (Matth. 7 : 24—27). Hij predikte Zich als den Heere, Die ook metterdaad als zoodanig erkend moet worden in het levensgedrag (Matth. 7 : 21), en zeide meer te wezen dan Salomo (Matth. 12 :42), Jona (Matth. 12 : 41), de tempel (Matth. 12 : 6), Johannes de Dooper (Matth. 11:7—23); Heere te zijn van den Sabbath (Matth. 12 : 8), de Zoon des menschen te wezen (Matth. 11 : 19 e.a.), de Messias en Zone Gods (Matth. 26 : 63—64), Die komen zal ten oordeel, in de heerlijkheid Zijns Vaders (Matth. 25 : 31), door Wiens dood als losprijs voor hun zonden Zijn geloovigen deel ontvangen kunnen in dat koninkrijk en zijn heilgoederen (Matth. 20 : 28; 26 : 26—28, 39, 42; Marc. 10 : 45; Joh. 3 : 14; 10 : 14—15). Hij alleen als Zoon kent den Vader, en niemand kent den Vader dan door Hem en Zijn openbaring (Matth. 11 : 27).

Deze Zelfprediking des Heeren als Zone Gods en Zaligmaker komt in het Evangelie naar Johannes wel veelvuldiger voor, en duidelijker tot uitdrukking (Joh. 3 : 16 e. a.), in verband ook met de plaats waar, en de personen tot wie de Heere daar spreekt (Jeruzalem en de geestelijke leidslieden des volks), maar is daarin toch niet wezenlijk verschillend van die in onze andere Evangelieverhalen. Van den beginne heeft Hij Zich den Zone Gods en Messias geweten (Luc. 2 : 49), en Zich als zoodanig geopenbaard (Matth. 3 : 14—15; Joh. 1 : 42—43, 46, 49—52; 2 : 19; 3 : 14; 4 : 25-26; Marc. 1 : 15; Matth. 5 : 17; Luc. 4 : 21, e. a.). Wel rekende Hij in die Zelfopenbaring met de personen en de omstandigheden (Marc. 1 : 25, 44; 5 : 19, e. a.), en gaf Hij haar daarom zoo klaar, dat ook Zijn vijanden zeer goed wisten, voor Wien Hij Zich uitgaf (Luc. 22 : 67, 70), maar andererzijds toch ook op een wijze, die hen in eenige onzekerheid liet (Joh. 7 : 41—42; 10 : 24), opdat zij zich niet nog meer bezondigen zouden (vgl. Luc. 23 : 34a). Hij predikte ook wel het vaderschap Gods ten aanzien der menschen, doch in verband met hun geloovige erkenning en aanneming van Hem en Zijn woord (Matth. 6 : 4, 9, 26, e.a.; vgl. 5 : 11; 7 : 21—27).

11. Ook door Zijn wonderwerken maakte Hij indruk (Luc. 7 : 16; Joh. 3 : 2). Daarin openbaarde zich de komst van het koninkrijk Gods (Matth. 12 : 28), en kwam de reddende en zaligende werking van dat rijk aan het licht (Matth. 11 : 5—6). Deze wonderen waren niet het voornaamste deel van ’s Heeren arbeid (Joh. 4 :48), maar teekenen van hoogere heilswerking (Marc. 2; 10—11). Behalve de vervloeking van den bladerrijken vijgeboom zonder vrucht (Marc. 11 : 13—14, 20—21), die een zinnebeeldige oordeelsaankondiging was, zijn alle ’s Heeren wonderen geweest werken van verlossing en tot hulp, waarin Hij Zich, naar Gods bevel (Matth. 15 : 24; Joh. 6 : 38; 5 : 36), en in afhankelijkheid van Hem (Joh. 5 : 19, 30; 11 :41—42), bewees den sterkere dan satan (Marc. 1 : 23—27; Matth. 8 : 28—33; 15:21—28; 17: 14—18, e.a.), Verlosser van alle lichamelijke krankheid, als blindheid (Matth. 9 : 27—30; Joh. 9 e.a.), doofheid en stomheid (Luc. 11 : 14 e.a.), lamheid (Marc. 2 : 3—12 e. a.), melaatschheid (Matth. 8 : 1—4; Luc. 17 : 11—19), en van allerlei ander lichamelijk lijden (Matth. 8 : 5—13; 9 : 20—22; Marc. 3 : 1—5; Luc. 13 : 10—13; 14 : 1-4; Joh. 4 : 46—53; 5 : 2—9), Overwinnaar over den dood, en Beschikker over het leven (Marc. 5 : 35—43; Luc. 7 :11—17; Joh. 11), Beheerscher van de krachten der natuur, van storm en golven (Marc. 4 : 35—41 e. a.), op welke laatste Hij Zelf wandelen kon, en anderen doen wandelen (Matth. 14 : 25—32), Die het bevel voerde ook over de visschen der zee (Luc. 5 : 4—10; Joh. 21 : 3—6), en het water veranderen kon in wijn (Joh. 2 : 7—10), en enkele brooden en visschen vermeerderen, zoodat duizenden gevoed werden, en men meer overhield, dan waarmede men begonnen was (Joh. 6 : 5—13; Marc. 8 : 1—9). Hij betoonde Zich daardoor een Redder uit alle ellende, Bevrijder van allen nood, Zaligmaker naar lichaam en ziel, voor tijd en voor eeuwigheid (Marc. 2:5; Joh. 11 : 25—26).
12. Reeds terstond stuitte de Heere op tegenstand bij de Joodsche oversten, de priesters en Schriftgeleerden (Joh. 2 : 18; 3 : 2a), zoodat Hij den dood tegemoet zag (Joh. 2 : 19; 3 : 14), en wellicht mede vanwege hun vijandschap later uit Judea uitweek naar Galilea (Joh. 4 : 1—3). Bij het volk had Hij aanhang gevonden, zoodat velen in Hem geloofden, zij het ook niet allen met dat geloof des harten, dat zich geheel aan Hem doet overgeven (Joh. 2 : 23—25). Zijn wonderen deden ook Israëls leeraars Hem houden voor een man van God gekomen (Joh. 3:2); en maanden later (Joh. 4 : 35) ontvingen de Galileërs Hem om die wonderen nog met blijdschap (Joh. 4 : 45).

In Galilea was het ook toejuiching van Hem door de scharen, die zich ontzetten over Zijn woord en Zijn werk (Marc. 1 : 27; Luc. 4 : 22), en van allen kant naar Hem toestroomden, waar Hij ook was (Matth. 4 : 24—25; 9 : 37—38; 13 : 2; 14 : 13v.v. e. a.). Zij hielden Hem voor een groot profeet (Luc. 7 : 16), óf Elia, óf Jeremia, óf iemand anders van de profeten, dus een vroegeren, uit den dood teruggekeerden Godsman (Matth. 16 : 14), óf den herleefden Johannes den Dooper (Marc. 6 : 14—16; Luc. 9 : 7—9). Ja, men zag Hem ook wel aan voor den profeet, en zelfs voor den Messias (Joh. 7 : 40—41). Na de wonderbare spijziging was de schare van dit laatste zoo overtuigd, dat zij Hem met geweld zelfs dwingen wilde, als Israëls koning optetreden (Joh. 6 : 15). Als Zone Davids riep men Hem aan (Matth. 9 : 27; 20 : 30) en begroette men Hem (Matth. 21 : 9). Maar ondanks dien grooten toeloop der scharen, had het volk als geheel zich toch niet aan Hem overgegeven, maar van Hem afkeerig gehouden, en niet van Hem willen weten, noch naar Hem willen hooren (vgl.

Joh. 3 : 26 met vs. 32; Matth. 11 : 19—24). Ook zelfs bij wie Hem volgden, was het beginsel niet altijd zuiver (Joh. 6 : 26), noch de rechte zielsgebondenheid door waarachtig geloof des harten aanwezig (Joh. 2 : 24—25; 8 : 31 v.v.), zoodat velen van hen teruggingen, toen Hij niet aan hun aardsche Messiasverwachtingen wilde voldoen (Joh. 6 : 66). De inwoners van Nazareth, Zijn eigen stadgenooten, namen Hem niet aan, maar wilden Hem van de steilte van den berg, waarop hun stad gebouwd was, werpen (Luc. 4 : 29). En ook anderen hebben meermalen getracht, Hem te dooden (Joh. 7 : 30; 8 : 59; 10 : 31). Vooral echter na de spijziging der 5000, en ’s Heeren weigering om naar de begeerte der scharen als aardsch koning optetreden (Joh. 6 : 15), beginnen de scharen te verloopen, en verlaten Hem ook velen dergenen, die eerst tot Zijn discipelen behoorden (Joh. 6 : 66), zoodat ook de Heere Zich meer aan het volk onttrekt, en naar de grensstreken trekt (Tyrus en Sidon, Marc. 7 : 24, Decapolis, Marc. 7 : 31, Caesarea Filippi, Marc. 8 : 27). Deze gang van zaken heeft den Heere wel leed veroorzaakt om de menschen zelven (Matth. 11 : 20), en Hij heeft daarvan het droeve smartelijk gevoeld (Joh. 6 : 67).

Maar nimmer heeft Hij Zich een anderen loop der gebeurtenissen voorgesteld (Joh. 2 : 19, 24; 10 : 31), gelijk ook wel blijkt uit Zijne gelijkenis van het zaad, waarvan zulk een groot deel door allerlei oorzaak geen vrucht droeg (Matth. 13 : 1—23). Hij is niet met schitterende verwachtingen opgetreden, waarin Hij Zich echter later bedrogen gezien zou hebben. Zijn besnijdenis, Zijn doop, de geheele profetie, waaraan Hij als Gods Woord geloofde, Israëls schaduwdienst, leerden het Hem van den aanvang anders, dan om Zich een zegetocht te denken als van een aardsch koning, waarbij het gansche volk zich bij Hem zou aansluiten (Joh. 12 :24). — De Joodsche leidslieden hebben zich van den beginne tegen Hem gesteld (Joh. 2 : 19; 4 : 1; Marc. 2:6, 16; 3 : 2), aldoor scherper (Marc. 3 : 22; 7 : 1 v.v.; Luc. 14 : 1 v.v.), om eindelijk ook tot Zijn dood te besluiten (Joh. 5 : 18), en te trachten dien te bewerken (Joh. 7 : 32; 11 : 47—53), en ten laatste metterdaad Hem dien aan te doen op de verschrikkelijkste wijs (Matth. 26 : 50, 57, 65—67; 27 : 1, 20—23, 35 v.v.).

13. Zes dagen vóór het Lijdenspascha kwam de Heere met Zijn discipelen te Bethanië (Joh. 12 : 1), waar Hem in het huis van Simon den melaatsche een maaltijd bereid, en Hij door Maria gezalfd werd (Matth. 26 : 6—16; Marc. 14 : 3—11 ; Joh. 12 : 2—8). Mattheüs (26 : 2) en Marcus (14 : 1) spreken wel van twee dagen; maar de maaltijd door hen genoemd (Matth. 26 : 6; Marc. 14 : 3), kan toch ook tevoren gegeven zijn. Op de dan volgende dagen komen ’s Heeren intocht in Jeruzalem (Marc. 11:1—10), Zijn vervloeking van den vijgeboom, die den volgenden morgen verdord bleek (Marc. 11:13— 14, 20—25); twistgesprekken met Schriftgeleerden, Farizeën, en Sadduceën (Marc. 11 : 28—12 : 40 e.a.); het verhaal van de arme weduwe, die twee kleine geldstukjes, haar geheelen leeftocht, in de schatkist wierp (Marc. 11 : 41—44 e.a.), en dat van Grieken, die den Heere wenschten te ontmoeten (Joh. 12 : 21 v.v.), enz. De Heere is dan overdag in den tempel (Luc. 19:47—48; 21:37—38), ’s nachts in Bethanië (Marc. 11:11), of althans buiten de stad (Marc. 11 : 19; Luc. 21 : 37). Het is echter niet gemakkelijk, om niet te zeggen onmogelijk, met zekerheid en nauwkeurigheid de volgorde der gebeurtenissen in deze zes dagen aan te geven, en vast te stellen, wat op elk dezer dagen is geschied.
14. Bij den laatsten maaltijd des Heeren met Zijn discipelen vóór Zijn kruisdood (Matth. 26 : 20 v.v.), staan we voor de vraag, of dat de eigenlijke Paaschmaaltijd geweest is, waarbij een Paaschlam gegeten werd? Mattheüs (26:17 v.v.), Marcus (14 : 12 v.v.), Lucas (22 : 7 v.v.) kunnen dien indruk wekken. Daarentegen zouden we uit Johannes (13 : 1; 18 : 28; 19:14,31,42) den indruk kunnen krijgen, dat die Paaschmaaltijd door de Joden eerst gehouden zou worden aan den avond van den dag van ’s Heeren kruisiging. Hierbij komt, dat de dag na het eten van het Paaschlam een verbodsdag was, op welken niet gearbeid mocht worden (Ex. 12:16; Lev. 23 : 7; Num. 28 : 18). Maar nu wordt gezegd, dat wanneer Judas weggaat, de discipelen meenen, dat hij wellicht een opdracht heeft ontvangen, iets voor het feest te koopen (Joh. 13:29). Ook gaat de Heere met Zijn discipelen na den maaltijd uit de zaal naar Gethsémané (vgl. Ex. 12 : 22), draagt Petrus een zwaard (Joh. 18:10), wordt een bende uitgezonden met zwaarden en stokken, om den Heere gevangen te nemen (Matth. 26 : 47), wordt een gerechtszitting gehouden (Matth. 26 : 57—68 ; 27 : 1), komt Simon van Cyrene van den akker (Marc. 15:21), wordt de Heere terecht gesteld (Matth. 27 : 2,11—50), koopt Jozef van Arimathea fijn lijnwaad (Marc. 15 : 45). Bovendien lezen we niets van het slachten van een Paaschlam, blijkt niet, dat in Joh. 13 : 1 v.v. sprake is van een Paaschmaaltijd, heeft de Oude Kerk geen bezwaar gehad in gezuurd brood bij het Avondmaal, hoewel de Heere het met ongezuurd brood ingesteld heeft, wanneer Zijn laatste maaltijd toen de eigenlijke Paaschmaaltijd geweest is. — Men heeft verschillende oplossingen dezer moeilijkheden, waaromtrent allerlei gezegd zou kunnen worden, aan de hand gedaan. Joh. 18 : 28 zou b.v. niet zien op den eigenlijken Paaschmaaltijd, maar op den feestmaaltijd op den volgenden dag. Of ook zou de Heere het Paaschlam één dag eerder gegeten hebben dan de Joden, of dezen zouden het eten van het Paaschlam één dag uitgesteld hebben. Een ander meent, dat aan den Paaschmaaltijd daags tevoren, voorafging een „openingsmaaltijd”. En van dezen zou dan sprake zijn in Matth. 26 : 17 v.v. e. a. Volkomen helderheid en zekerheid zijn echter nog niet verkregen. Een in allen deele bevredigende verklaring toeft nog. En hoewel het daarom wel vast staat, dat onze Heiland op een Vrijdag gekruisigd is, weet men nog niet met onbetwistbare stelligheid, of dat de 14e Nisan, dan wel de 15e van die maand geweest is; en of dus ’s Heeren sterven samenviel met het slachten van de Paaschlammeren (vgl. Ex. 12 : 3, 6, 18), dan wel één dag daarna geschiedde.
15. Na bij dien laatsten maaltijd, tot welks toebereiding Hij in den loop van dien dag Petrus en Johannes uitgezonden had (Luc. 22 : 7—13; Marc. 14 : 12—16), de voeten Zijner discipelen gewasschen, en het verraad van Judas aangekondigd (Joh. 13 : 1—30), het Avondmaal ingesteld (Matth. 26 : 20—29, e.a.), en de woorden in Joh. 14—17 gesproken te hebben, was de Heere met hen uit de zaal uitgegaan, gevolgd door een jongeling (Marc. 14 : 51—52), naar Gethsémané (Matth. 26 : 30, e.a.), onderweg nog Petrus’ verloochening en aller verlating van Hem aankondigend (Matth. 26 : 31—35, e.a.). En in dien hof had de bange worsteling plaats, die Hem van benauwdheid het bloed als zweet van het aangezicht deed druppen (Matth. 26 : 36— 46; Luc. 22 : 39—46, e.a.). Opgestaan van het gebed, treedt Hij de bende, die geleid wordt door Judas, tegemoet (Matth. 26 : 46—47, e.a.), laat Zich door den verrader kussen, maar tracht hem nog in het hart te grijpen (Matth. 26:48— 50, e.a.), doet wie Hem gevangen wilden nemen, ter aarde vallen (Joh. 18 : 1—9), heeft Malchus het door Petrus afgeslagen oor (Joh. 18 : 10— 11, e.a.), en wordt dan henengevoerd naar Annas, die Hem ondervraagt (Joh. 18:12—14, 19—23). Dit zal een voorloopig verhoor geweest zijn, waarbij denkelijk ook Kajafas en andere raadsleden tegenwoordig waren. Waarschijnlijk is het de nachtelijke raadszitting geweest, waarvan Lucas spreekt (22 : 54—65), en bij welker gelegenheid Petrus den Heere verloochend heeft (Luc. 22 : 54-62; Joh. 18 : 15-18, 25—27; Matth. 26 : 69—75; Marc. 14 : 66—72), terwijl dan in den morgenstond de formeele gerechtszitting gehouden werd in Kajafas’ huis, waarin de valsche getuigen opkwamen, en eindelijk Kajafas opstond met zijn vraag, en ten laatste de Heere veroordeeld werd (Luc. 23 : 66—71; Matth. 26 : 59-68; 27 : 1 ; Marc. 14 : 55-65; 15 : 1). Ook hierbij is de gang der gebeurtenissen niet met ontwijfelbare zekerheid vast te stellen. Mede omdat het de vraag is, of Joh. 18 : 24 vertaald moet worden : Annas dan zond Hem; dan wel: Annas dan had Hem gezonden. En ook, omdat het niet duidelijk is, of Annas en Kajafas in hetzelfde complex gebouwen gewoond hebben, maar gescheiden door een binnenplein (Matth. 26 : 58, 69 e. a.), dan wel in geheel afzonderlijke paleizen.

Dit is echter zeer duidelijk: ook Zijn bitterste en schranderste vijanden konden niets vinden tegen den Heere, zoodat Zijn onschuld schitterend aan den dag kwam, en het blijken kon, dat Hij niet om eenige eigen misdaad veroordeeld en gedood is. En in de tweede plaats: Hij is veroordeeld alleen, omdat Hij beleed de Christus (Luc. 22:67—69) en de Zone Gods (Luc. 22 : 70) te zijn (Matth. 26 : 63—66; Marc. 14 : 61—64). Kajafas en de raadsleden wisten wel, dat de Heere dat van Zich pretendeerde. En zoowel de verlegenheid door de valsche getuigen, als ’s Heeren zwijgen op alle aanklachten tegen Hem, en op Kajafas’ aandringen om toch te spreken, leidden en noodzaakten Kajafas, om bij eede zijn duidelijke vraag aan den Heere te stellen, of Hij de Christus en Zone Gods ware, teneinde het voor allen onmiskenbaar zou zijn, dat de Heere dat van Zich beleed, en dat Hij om die belijdenis ter kruisdood is verwezen. Het scheuren door Kajafas van zijn kleed, in voorgewende ontzetting en schrik over ’s Heeren vermeende Godslastering (Marc. 14 : 63—64, e. a.), was een profetische voltrekking aan hemzelven van het afzettingsvonnis (vgl. Lev. 21 : 10; 10 : 6—7), hoewel hij zelf dat niet wist (vgl.

Joh. 11 : 49—52). De ware Hoogepriester trad nu op om Zich te offeren. Daarom moest de schaduw thans terugtreden en wegvallen.

16. Van Kajafas werd de Heere gevoerd naar Pilatus. Een beschuldiging had men voor dezen niet (Joh. 18 : 30). Met wat de Joodsche oversten volgens hun eigen wet tegen Hem meenden te kunnen inbrengen, wilden zij liever niet voor den dag komen. Doch zij werden genoodzaakt te zeggen, wat zij tegen den Heere hadden. En toen kwamen allerlei aanklachten (Matth. 27 : 13; Marc. 15 : 3—4), Hij was een kwaaddoener (Joh. 18 : 30). Hij maakte het volk afkeerig, en verbood den keizer schatting te geven, en zeide, Zelf als de Christus koning te zijn (Luc. 23 : 2, 14). Hij ruide het volk op door het geheele land (Luc. 23 : 5). Hij zeide, Gods Zoon te zijn (Joh. 19 : 7). Hij beweerde koning te zijn, en trad daarmede vanzelf op tegen den keizer (Joh. 19 : 12). — Pilatus zag echter heel spoedig en duidelijk de volkomen onschuld des Heeren in, en heeft haar herhaaldelijk en tot het laatste toe betuigd (Luc. 23 : 4, 14—15, 22; Joh. 18 : 31, 38; 19 : 4, 6, 11; Matth. 27 : 23—24; Marc. 15 : 14). Hij wist, dat de overpriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden (Marc. 15:10). Onderscheiden pogingen heeft hij daarom aangewend, den Heere vrij te krijgen. Hij heeft op het rechtsgevoel der Joden een beroep gedaan door’s Heeren onschuld te betuigen (Luc. 23 : 4). Daarna heeft hij de beslissing van zich willen afwentelen op Herodes (Luc. 23 : 6—12). Vervolgens heeft hij over de hoofden der overpriesters en Schriftgeleerden het volk trachten te bereiken, en Barabbas tegenover den Heere gesteld, teneinde het volk, uit vrees voor den oproerling en moordenaar, des Heeren vrijlating zou begeeren (Matth. 27 : 16—18, e.a.). Maar ook dat tevergeefs (Matth. 27 : 20, e.a.). Alverder heeft hij hun volkstrots willen prikkelen, opdat zij uit nationaal eergevoel Hem niet gedood zouden willen hebben (Marc. 15:9, e.a.). Eindelijk heeft hij nog op hun deernis en minachting gewerkt (Joh. 19 : 5), toen hij Hem, gegeeseld en als spotkoning met doornenkroon en purperen mantel getooid, tot hen uitvoerde (Joh. 19 : 1—5). Dit alles heeft hem echter niets gebaat, nu hij den koninklijken weg van te handelen naar recht en roeping, niet gaan wilde. Hij heeft den Heere ten laatste overgegeven en doen kruisigen (Joh. 19 : 16, e.a.), hoe onrechtvaardig ook, en hoezeer hij van ’s Heeren onschuld overtuigd was, en getuigenis aflegde. Want het moest blijken, dat den Heere Christus een Goddelijk vonnis trof, doch niet vanwege eigen overtreding. Daarom moest de hoogste aardsche rechter (vgl. Ps. 82 :1) den Heere vonnissen, maar na en onder de herhaalde betuiging, dat Hij onschuldig was (Hand. 4 : 27—28).
17. De Heere werd daarop de later zoogenoemde via dolorosa, den lijdensweg, langs gevoerd, dragende Zijn kruis (Joh. 19 : 17, e.a.), terwijl onderweg Simon van Cyrene gedwongen werd, Zijn kruis te dragen (Matth. 27 : 32, e.a.). Tot de Hem weenend volgende vrouwen richtte Hij nog het woord. Zij moesten niet over Hem weenen en klagen, maar over zichzelve en haar kinderen vanwege het komende oordee' (Luc. 23 : 27—31). En op Golgotha aangekomen, werd Hij gekruisigd tusschen twee misdadigers (Luc. 23 : 33, e.a.), Marcus spreekt dan van de derde ure (15 : 25), Johannes van de zesde (19 : 14). Dit verschil is misschien aldus te vereffenen, dat beide slechts ongeveer den tijd aangeven. Als opschrift van beschuldiging stond boven Zijn hoofd geschreven : Jezus de Nazarener, de Koning der Joden (Joh. 19 : 29, e.a.). Uren lang, omstreeks een zestal, heeft Hij geleden aan lichaam en naar ziel, benauwd van alle kanten, gehoond door menschen (Matth. 27 : 39—43, e.a.; Luc. 23 : 39), verschrikt en besprongen door de hellemacht (Luc. 22 : 53), verlaten door den Vader (Matth. 27 : 45—46, e.a.). Zeven malen heeft Hij een woord gesproken (Luc. 23 : 34a; Joh. 19 : 26 ; Luc. 23 : 43 ; Matth. 27 : 46, e.a.; Joh. 19 : 28; 19 : 30; Luc. 23:46), drie maal tot heil van anderen, eenmaal om het uitteroepen van ontzetting, een andere maal tot het klagen van Zijn lichamelijken nood, de volgende maal tot den eeuwiggeldenden zegeroep, en eindelijk om Zijn geest bij het uitgaan uit Zijn lichaam aantebevelen in de handen Zijns Vaders. Toen gaf Hij den geest (Luc. 23 : 46, e.a.). En tot zinnebeeldige aanduiding van hetgeen geschied was, scheurde het voorhangsel tusschen het heilige en het heilige der heiligen van boven tot beneden, beefde de aarde, scheurden de rotsen, werden graven geopend, en herleefden vele gestorvenen (Matt. 27 : 51—52). De heidensche hoofdman en zijn mannen werden er door aangegrepen om ’s Heeren hoogheid te erkennen (Matth. 27:54). En daarna werd de Heere, nadat nog Zijne zijde doorstoken was (Joh. 19 : 34—37), door Jozef van Arimathea en Nicodemus, met verlof van Pilatus, begraven. Zij wikkelden Hem in fijn linnen, met een geurig mengsel van mirre en aloë, en legden Hem in een nieuw graf, waarvoor een steen geplaatst werd (Joh. 19 : 38—42 ; Luc. 23 : 50—54; Marc. 15 : 43—46), die later nog verzegeld werd, terwijl bij het graf ook nog een wacht werd geplaatst (Matth. 27 : 57—66). Vgl. Jes. 53.
18. Ten derden dage, den eersten der week, is de Heere opgewekt door den Vader (Hand. 2 : 32; 3 : 15 e.a.). en opgestaan door eigen Goddelijke kracht (Joh. 10 : 17). Hij heeft wel niet drie volle dagen in het graf gerust, maar toch wel op drie dagen daarin gelegen (Matth. 12 : 40; 16 : 21 ; Marc. 8:31). Het is den Evangelisten er niet om te doen, een volledig verhaal van de Paaschgeschiedenis en van alle ’s Heeren verschijningen te geven, evenmin als zij tevoren alle ’s Heeren daden en woorden hebben willen mededeelen. En voor ons is het daarom ook hier niet mogelijk, den historischen loop der gebeurtenissen met alle nauwkeurigheid aan te geven. Mattheüs heeft blijkbaar in hoofdzaak slechts willen aangeven, op welke wijze de leugen onder de Joden opgekomen en verbreid was, dat ’s Heeren discipelen Zijn lichaam gestolen hadden, en hoe ongerijmd die leugen was. Lucas geeft een paar treffende gevallen van ’s Heeren verschijningen, om de waarheid Zijner opstanding klaar in het licht te doen treden, overeenkomstig zijn woord in 1 :3 en 4. Johannes deelt, naar het doel van zijn Evangelieverhaal, eenige aanvullende feiten en verschijningen mede, om ’s Heeren heerlijkheid meer te doen uitschitteren. Bij Marcus vinden we in dezen geen of weinig nieuws naast hetgeen de andere Evangelieverhalen bevatten. — De apostel Paulus echter levert een bepaald betoog ten bewijze van 's Heeren opstanding uit de dooden op den derden dag. Te Corinthe waren personen opgetreden met het beweren, dat er geen lichamelijke opstanding der geloovigen moest aangenomen worden (1 Cor. 15 : 12). Dan zou Christus ook niet opgestaan zijn, antwoordt de apostel (1 Cor. 15 : 13). De gevolgen hiervan zet hij dan verder uiteen (1 Cor. 15 : 14—19), om daarna te schrijven : maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden (1 Cor. 15:20a). Doch nu had hij tegen deze dwaalleer reeds in het begin van dit hoofdstuk de onbetwijfelbare historiciteit van ’s Heeren opstanding in het licht gesteld door de vastheid van het getuigenis aangaande haar aantewijzen (1 Cor. 15:1—11). De Heere is ten derden dage, opgestaan naar de Schriften (vs. 4). Maar dat niet alleen, Hij is gezien door Cefas, door de twaalven, door meer dan 500, van wie de meesten toen nog in leven waren, door Jacobus, door al de apostelen, en ten laatste ook door hem, den apostel, zelven (vs. 5—8). In die prediking van ’s Heeren lichamelijke opstanding bracht hij ook niets nieuws. Daarin waren hij en de andere apostelen volkomen een. Dat was een gemeenschappelijke prediking van hen allen gelijkelijk (vs. 11). Zij betrof ook geen bijzaak, maar behoorde tot de hoofdzaken. Als zoodanig had hij haar aan de Corinthiërs gebracht (vs. 3a). En op zijn beurt had ook hij het verhaal van die opstanding en verschijningen weer van anderen (vs. 36). Nu schreef de apostel dit pl.m. 55 n. Chr. En met vs. 36 gaat hij een kleine 25 jaar terug, tot den tijd van zijn verblijf in Damascus (Hand. 9 : 8 v.v), en daarna te Jeruzalem (Hand. 9 : 26—29; vgl. Gal. 1 : 15—18), dus tot denkelijk 31—34 n. Chr. d. w. z. maar zeer weinig jaren na ’s Heeren opstanding en hemelvaart. Toen, zoowel als later, heeft hij zelf met Petrus gesproken, en met Jacobus, en met zeer veel anderen dergenen, die hij hier noemt. Natuurlijk heeft hij met nauwkeurigheid alles van hen ook te dezer zake gevraagd. Dat moest om het feit zelf, en om de beteekenis van de prediking daarvan. En de apostel was er de man niet naar, om op onzekerheden af te gaan, en met vaagheden genoegen te nemen. Daarom hebben we in 1 Cor. 15 : 1—11 een bewijs van de realiteit van’s Heeren lichamelijke opstanding, als uit graniet, zoo sterk en onwederlegbaar als maar ooit eenig document de historiciteit van eenig feit waarborgen kan. — Nu zegt men wel, dat de apostel hier toch geen melding maakt van de vrouwen, wier bevinding of ervaring door de Evangelisten verhaald wordt. Maar hij laat dit waarschijnlijk, omdat hij nu getuigen noemt, en de vrouwen bij de Joden niet als getuigen optraden. Noemt hij ook de Emmaüsgangers niet, we kunnen zeggen, dat dit bij degenen, die hij opsomt, ook niet meer noodig was. En werpt men tegen, dat hij ook niet spreekt over het ledige graf, dan moet daartegen de opmerking gemaakt worden, dat de Corinthiërs toch niet naar dat graf konden henengaan. En wanneer zij dit gedaan hadden, en het ledig gevonden hadden, zou dit op zichzelf voor hen toch geen bewijs geweest zijn van ’s Heeren opstanding. Wat had ertusschentijds toch wel met ’s Heeren lichaam kunnen gebeurd zijn! Maar dat zoovelen, en die ten deele ook aan hen bekend waren, persoonlijk den Heere hadden gezien na Zijn opstanding, was voor hen tot onwankelbare geloofszekerheid. Komt men nog met het zeggen, dat de apostel bij de anderen hetzelfde woord gebruikt als ten aanzien van zichzelven, hetwelk ook opgevat zou kunnen worden als sprekende van een visionaire verschijning, een niet-lichamelijke realiteit, dan kan als antwoord daarop verwezen worden naar Hand. 7 : 26, waar hetzelfde woord van Mozes is gebezigd, n.l. dat hij door twee strijdenden gezien werd, of „aan hen verscheen”, en waar onweersprekelijk op lichamelijke zichtbaarheid gedoeld wordt. Maar vooral dient er op gewezen te worden, dat de apostel noodzakelijk de lichamelijke verschijning des Heeren moet bedoeld hebben, omdat anders zijn geheele betoog tegen de bestreden dwaalleer, die de lichamelijke opstanding loochende, geen kracht gehad zou hebben, en zonder waarde geweest zou zijn.
19. Na Zijne opstanding is de Heere verschenen aan Maria Magdalena (Joh. 20 : 1—18; Marc. 16 : 9), de vrouwen (Matth. 28 : 1—10), Simon Petrus (Luc. 24 : 34; 1 Cor. 15 : 5), de Emmaüsgangers (Luc. 24 : 13—32), de elven zonder Thomas en met nog anderen (Luc. 24:33— 49; Joh. 20 : 19—23), de elven met Thomas (Joh. 20 : 26—29), zeven discipelen aan de Zee van Tiberias (Joh. 21 : 1—23), de elven in Galilea (Matth. 28 : 16—20), bij wie toen misschien ook nog anderen geweest zijn (vgl. vs. 17), meer dan 500 (1 Cor. 15 : 6), tenzij deze verschijning dezelfde zou geweest zijn als de vorige, Jacobus (1 Cor. 15 : 7), de elven bij Zijn hemelvaart (Hand. 1 : 6—11), en na die hemelvaart nog aan Saulus (1 Cor. 15 : 8; Hand. 9 : 3— 6, e. a.). — De verschillende tijdsopgaven in Matth. 28 : 1 ; Marc. 16 : 2; Luc. 24 : 1 ; Joh. 20 : 1 geven eenige moeilijkheid, die echter vrijwel wegvalt, wanneer we mogen aannemen, zooals K. Bornhauser meent, dat ook bij de Joden de dag wel begon met middernacht, en reeds dadelijk daarna de zon werd gezegd weer optegaan, omdat zij dan weer rijzende was, en de tijd van 12 uur ’s nachts tot die van zonsopgang de „vroege morgen” geheeten werd. — Wanneer de vrouwen aan de discipelen moeten zeggen, naar Galilea henen te gaan, en dat zij daar den Heere zullen zien (Matth. 28 : 7, 9, e.a.), zal dit wel niet willen zeggen, dat ook de elven Hem slechts daar, en niet eerder zouden zien, maar zal het een aanwijzing zijn aan al ’s Heeren aanhangers (vgl. 1 Cor. 15 : 6), dat zij allen

Hem in Galilea zouden mogen aanschouwen en ontmoeten ; (tenzij, wat ook wel gemeend wordt, maar niet waarschijnlijk is, een plek op den Olijfberg — vgl. Luc. 21 : 37 — ook dien naam gehad heeft).

Met de voorstellingen van ongeloovigen, alsof ’s Heeren lichaam gestolen zou zijn, en ’s Heeren discipelen met welbewust bedrog Hem als opgestaan gepredikt zouden hebben; of dat Hij slechts schijndood zou geweest zijn, en in het graf weer uit Zijne bezwijming bijgekomen; behoeven we ons niet verder bezig te houden. Ook de bewering, dat Pilatus, of iemand anders, ’s Heeren lichaam heeft weggenomen, en dientengevolge de vrouwen en de discipelen, het graf ledig vindende, gemeend en gezegd zouden hebben, dat Hij was opgestaan, verdient geen weerlegging. En de redeneering, dat de discipelen na ’s Heeren gevangenneming naar Galilea zijn gegaan, en door het terugdenken aan Hem en Zijn machtige verschijning, eerst aarzelend zich de vraag gesteld hebben, of Hij niet misschien zoude kunnen opgestaan zijn, en allengs van die opstanding vaster overtuigd zijn geworden, zoodat zij eindelijk zelfs visioenen kregen, waarin zij Hem zagen, is zoo in strijd met hetgeen het Nieuwe Testament van den toestand der discipelen en van ’s Heeren opstanding ten derden dage enz. mededeelt, dat ook zij hier geen bespreking in bizonderheden behoeft. Er blijft geen ander alternatief dan : feit óf fictie, waarheid óf leugen. Maar hoe in dit laatste geval al het lijden en volharden der apostelen, het opkomen en de geheele geschiedenis van de Christelijke kerk te verklaren ?

’s Heeren lichaam was ook na Zijn opstanding een zichtbaar en tastbaar lichaam (Joh. 20 : 20, 27, 29), dat nog spijze nuttigen kon (Luc. 24 : 39—43; Hand. 10 : 41). Maar het had toch een verandering ondergaan, en was verheerlijkt, welke verheerlijking echter met Zijn hemelvaart haar volkomenheid bereikte (1 Cor. 15 : 42—48 ; Joh. 20 : 19, 26 ; Luc. 24 : 31). Aan het eind der dagen komt Hij zichtbaar weder op de wolken (Hand. 1:11; Openb. 1 :7) maar in de heerlijkheid Zijns Vaders (Matth. 16 : 27; 25 : 31).

20. Veertig dagen is de Heere na Zijn opstanding nog op de aarde gebleven (Hand. 1 : 3), blijkbaar nu eens bij Zijn discipelen, in kleiner of in grooter getal, vertoevende en met hen sprekende en samenlevende (Hand. 1 : 3—8; 10 : 41; 13 : 41; Matth. 28; Marc. 16; Luc. 24; Joh. 20 en 21; 1 Cor. 15 : 5—7), en dan weer niet bij hen. Zij moesten stellig overtuigd zijn van Zijn opstanding, want zij moesten Zijn getuigen zijn (Hand. 1 : 8; 2 : 32; 1 Cor. 9:1; Joh. 15 : 27). Ook had Hij nog veel tot hen te zeggen (Joh. 16 : 12; Hand. 1 : 3). Maaraan het eind der veertig dagen leidde Hij Zijn elven uit Jeruzalem naar den Olijfberg, en voer Hij ten hemel, om aan het eind der eeuwen zichtbaar, in majesteit en heerlijkheid, terugtekeeren, het oordeel over allen te houden, en hemel en aarde te vernieuwen (Hand. 1 : 6—12; 3 : 21; Matth. 25 : 31—46; Joh. 5 : 21-29).