Christelijke encyclopedie

F.W. Grosheide (1926)

Gepubliceerd op 08-01-2020

Emil Kautzsch

betekenis & definitie

Geboren 1841 te Plauen in Voigtland, promoveerde in 1863 te Leipzig, waar hij eerst leeraar aan het gymnasium, later privaat-docent en buitengewoon hoogleeraar werd, terwijl hij in 1872 het gewoon hoogleeraarsambt aanvaardde in Bazel, welk ambt hij vervolgens ook bekleed heeft in Tübingen en in Halle. Hij overleed in 1910.

Hij was een zeer bekwaam taalgeleerde, die zich bizonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de kennis van de beide talen waarin het Oude Testament geschreven is: het Hebreeuwsch (getuige zijn bewerking van onderscheidene drukken van Gesenius’ Hebreeuwsche Spraakkunst) en, voor enkele kleinere gedeelten, het Arameesch (blijkens de uitgave van een spraakkunst voor het Bijbeische Arameesch, en van een studie over Aramaeïsmen in het Oude Testament). Wat zijn theologisch standpunt betreft, behoorde hij tot de negatief-kritische richting op het terrein der Oud-Testamentische studiën, met name tot de z.g.

Wellhausensche school. Van uit dit standpunt leverde hij in samenwerking met andere geleerden een nieuwe Duitsche vertaling van het Oude Testament, met inleidingen en korte verklarende aanteekeningen, in denzelfden trant als de bekende Leidsche Vertaling ten onzent, en die, in 1894 verschenen, in 1909/10 reeds een derde uitgave beleefde.

Een nieuwe bewerking daarvan, onder leiding van Bertholet, is thans bezig te verschijnen. Ook gaf hij op dezelfde wijze een vertaling van de Apocriefen en Pseudepigrafen.

Eindelijk is nog van belang zijn Biblische Theologie des Alten Testaments, oorspronkelijk als artikel over den godsdienst van Israël voor Hastings’ Dictionary of the Bible geschreven (1904) en na zijn dood in den oorspronkelijken Duitschen tekst door zijn zoon Karl Kautzsch gepubliceerd (1911).